Zeedamp in je ogen en hart
Beroemde schrijvers schreven er gepassioneerd over en doen dat vandaag de dag nog steeds. Over de romantiek van een verblijf op drijvend land dat omgeven wordt door niets anders dan water. Over de rust die als een deken over je heen valt en je langzaam doet wegsoezen in een staat van zijn die je voor altijd vast zou willen houden. En niet te vergeten, de overweldigende eenzaamheid die je terugbrengt naar jezelf.
Boudewijn Büch, Jacob Slauerhof en Jan Wolkers: het is maar een greep uit grote namen die zich lieten inspireren door hun liefde voor eilanden. De combinatie van eenzaamheid en geborgenheid oefenden een enorme aantrekkingskracht uit op Slauerhof die als kind veel tijd doorbracht op Vlieland. Büch die talloze eilanden bezocht en daarover schreef, noemde zijn liefde voor eilanden:
‘een kwaal waar men nooit van geneest’.
Wolkers zocht een aantal weken de eenzaamheid van het eiland Rottumerplaat op, genoot ervan met volle teugen en ging uiteindelijk definitief op het eiland Texel wonen. Zelfs Godfried Bomans die net als Wolkers enkele weken in totale eenzaamheid op Rotummerplaat verbleef en het alleen zijn verafschuwde, beleefde er ook mooie momenten. Hij schrijft daarover in zijn ’Dagboek van Rottumerplaat’:
‘Ik voel mij vredig en gelukkig’. En:
‘Voor ’t eerst van je leven zie je niets lelijks. ’t Is allemaal prachtig om je heen, zuiver en ongerept. In de bewoonde wereld is er altijd iets waarvan je denkt: jammer, dat had er nou niet moeten zijn. Dat bestaat hier niet. Alles is mooi, de lucht, ’t water, zelfs een oud verbleekt stuk touw, dat je op ’t strand vindt, is mooi. ’n Onbedorven wereld.’
Het is moeilijk in woorden te vervatten wat de schoonheid van een eiland nu precies is. Gerrit Jan Zwier schrijft daarover in ’Het noordelijk gevoel, de Vlieland-Symfonie’:
‘Dick Hillenius, de bioloog, heeft het waddenlandschap eens vergeleken met een imposant kunstwerk, een kathedraal, een symfonie. Het luisteren naar het eeuwige ademen van de zee en het kijken naar het wisselende spel van lijnen en kleuren schenkt esthetisch genot. Ik kom hier niet om iets nieuws te ontdekken. Ik hoop er steeds hetzelfde terug te vinden.’
Dirk Vellenga filosofeert er prachtig over in ’Paal 8’:
‘Loop over het brede strand, dat onmetelijke, stille perron in een wereld van haastige kruisingen en drukke verbindingen. Haal diep adem, luister naar de uitbundige meeuwen, laat je reinigen door de wind. Dan kun je meten wat je hebt gewonnen of verloren, waar je bent gegroeid en waar je hebt moeten toegeven. En altijd is daar de zee om je geruststellend toe te spreken met de wijze stem van de eeuwigheid.’
Wie eenmaal heeft kennis gemaakt met het genot van alles wat een eiland te bieden heeft komt er niet meer van los:
‘Iedere keer werd het verlangen sterker om niet meer weg te gaan van deze stranden en kwelders, deze vergezichten en de wijde lucht. Deze verschonende ruimte. Hij verlangde stilte, zonder inmenging. Wat hij om zich heen hoorde was genoeg, de westenwind, meeuwen, het geluid van gakkende rotganzen’, verwoordt Diet Verschoor de eilandpassie in ’De razende bol’ en de groene schoen:
‘Hij wilde zich verlossen van alles wat hem langzamerhand teveel geworden was. Alles, zijn leven, zijn hoofd vol onheldere gedachten, het moest eindelijk doorwaaien en schoonspoelen. Daarna zou hij bevrijd verder leven.’
Wie het eiland verlaat, doet dat meestal met pijn in het hart. Dirk Vellenga hierover in ’Paal 8’:
‘Als je hier bent ben je vrij, verlost van het gewone leven, de sleur, de wetten van het vasteland… Een eiland is per slot van rekening een schip zonder kiel, zonder koers, zonder kapitein, zonder kalender. Veel te vaak heb ik afscheid genomen en gezwaaid naar gelukkige blijvers die riepen en zongen op de pier. Ik stond in stille weemoed op het bovendek van de veerboot en voelde achter me al de donkere aanwezigheid van het vasteland.’
Ook Thomas Verbogt schrijft over die heimwee in ’Noordelijkst’:
‘Als ik een paar dagen later op de boot ben die me terugbrengt naar het vasteland, en ik naar het eiland blijf kijken tot ik het niet meer kan zien, besef ik dat ik er graag had willen blijven. Bij de fazanten en de meeuwen. In de stilte van een duinpan. Dat heb ik telkens als ik van het eiland wegga. Misschien is het heimwee. Zeedamp die in je ogen trekt. En in je hart.’