TexelNU achtergrond

De Steen

De Steen

De Steen


De dijk, wit van de rijp, lost op in mist. Het IJzerenbaken verderop is niet te zien. Even sta ik stil en tuur naar de Waddenzee. Ik adem wolkjes. Koude tenen. Ik wrijf mijn bevroren oorranden. Wat doe ik hier? Ik herinner het me niet, alleen dat ik naar iets op weg ben. Lopen maar weer, langs golfjes die ijskraagjes afzetten op blokken basalt.
Au! Ik struikel. Een paar passen terug vind ik een steen in het gras. Ik veeg de rijp van de steen. Poederijs blijft wit liggen in twee ingehakte letters: B en G. 
‘Die zijn van Biem en Guurtje’, klinkt een mannenstem achter me. Geschrokken kom ik overeind. Voor me in de schemering staat een man op klompen in een zwarte jas en broek met vormloze hoed. Vanonder zijn hoofddeksel gloeien twee kooltjes. 
‘Weet je niet van Biem en Guurtje? Van Biem die hier viste in de wintermist en Guurtje wilde redden van de plaat hier net onder Oosterend? Weet je niet…’
 
Terwijl de man vertelt, word ik Biem. Het is zondag, ik kom van de kerkdienst en ga vissen. Vissen is vandaag uit den boze, maar ik houd het in mijn hut niet uit. Waarom moest ik me in die volle kerk naar voren werken tot ik haar kon zien? Guurtje de redersdochter. Ik had ook achterin kunnen blijven en mijn verlangen laten wiegen op orgelspel. Dan zou ik haar niet hebben zien zingen - Die van het verderf uw leven wil verschonen - , haar krullen niet langs haar fijne profiel zien spelen en haar lippen niet zien openen en sluiten om heilige woorden. Ze zou me niet hebben gezien en gevangen met haar ogen. Haar verwarring zou haar vader niet zijn opgevallen, hij zou mij niet hebben gevonden aan het einde van haar blik en zich voor haar niet breed hebben gemaakt waardoor mijn  weten omsloeg in verbittering. 
 
Ik loop de dijk af naar de kwelder. Daar zakken mijn klomp­laarzen telkens door de bevroren toplaag in de zompige grond. Dronken duw ik tegen de ruwhouten spiegel van mijn sloepje dat over stammetjes en modderijs naar open water glijdt. Mijn rechterlaars blijft steken en loopt vol, maar ik kom droog aan boord. De vloed neemt ons mee naar de priel waar mijn netten staan, net voor het Vaarwater naar De Cocksdorp. Ik neem nog een slok jenever en grijp de riemen. Met een paar lagen draai ik de sloep uit de stroom en in de priel die de plaat van de kwelder scheidt. Daar ruk ik mijn net aan boord tot mijn handen bloeden. De ene na de andere schar valt klapperend op de bodem van de boot. 
Het is zo goed als donker nu.
Hoor ik zingen...?
Ik hoor zingen… zingen op de plaat. Guurtjes stem! Weg dat net, rot op vis, hier die riemen. Vijf rukken en de boeg stoot op het slik. Ik vlieg overeind en val. Een riem schiet uit zijn dol en drijft weg. Guurtje moet van de plaat, de vloed komt op. Ik stommel uit de boot, val languit op het zand. Ik werk me op handen en voeten. Guurtje loopt daar in haar zondagse jas langs het water, zingend, omgeven door witte flarden. Ze loopt de verkeerde kant op.
‘Guurtje!’
 
Na een eeuwigheid op de plaat ben ik haar kwijt. Ik sta roerloos. Geen wind, geen meeuw die krijst. Alleen murmelen van opdringend water langs de randen van de plaat. Waterkou. Een stenen hart. Een dronken kop. Ik ben niet wijs. Mijn opwinding slaat om in angst. De boot! Langs de nu smalle bank zoek ik de sloep. Die vind ik aan het puntje, zo’n tien meter in zee. Ik plons in het ijskoude water. Het knijpt de laatste warmte uit mijn benen. De bodem zakt onder me weg, ik grijp nog net het boord. Mijn jas zuigt zich vol zeewater. Kou zet zijn tanden in mijn lijf. Pijn. Alleen mijn armen hebben nog kracht. Ik ben mijn armen. Ze werken zich over de rand, vingers omklemmen de doft. Maar buiten de boot hangt mijn onderkoelde doodgewicht. Het is te zwaar. In doodsangst sla ik mijn dode benen uit – bewegen ze eigenlijk wel? De sloep moet naar de kwelder… Het moet.
 
Ik ben wakker. Ik heb het koud en ben benauwd. De kachel is uit gegaan en ik ben vastgedraaid in mijn slaapzak. 
Als ik mijn slaapzak heb afgestroopt, rol ik uit mijn kooi en trek alle fleeces aan die ik kan vinden: sokken, muts, shawls, broeken en truien. Gelaarsd ga ik aan dek. Het is knisperend vriesweer. Overal glinsteren ijskristallen. Het weerbericht was correct, Eenhoorn ligt rustig ten anker onder talloze sterren en een halve maan. Alleen de langstrekkende vloed leeft en stroomt. Voor de boeg in de verte pinkelen de lichten van Oudeschild, in het noorden schijnt de blink van de vuurtoren van De Cocksdorp: twee flitsen in de tien seconden.
De volgende ochtend wandel ik over de wit berijpte dijk naar Oosterend. In de bocht tussen gemaal en IJzerenkaap vind ik naast het pad in de harde grond een vers gat, vrij van rijp. Geen steen. En later, in een afgelegen hofje, stuit ik op een zerk: Geertuida Dijker, 18... kind van… verdronken… - de rest onleesbaar verweerd.