Havenhoofd
Iedereen maakt het wel eens mee. Een groepje mensen kijkt schuin naar boven. Het groepje groeit aan. Iemand wijst. Daar valt iets bijzonders te zien: een kat in het nauw, een man op de dakrand, rook uit een raam. Die ochtend liep ik binnen in Oudeschild. De tocht was heftig op het eind. De ebstroom trok krachtig door de Texelstroom, recht tegen de aantrekkende zuidwester. Zo wild bewoog het voordek dat ik de gestreken kluiver niet bijeen durfde te binden voor we binnen waren, bang te worden afgeworpen als een ruiter van zijn paard.
Nu is de wind veel harder, kleeflucht die aan je kleren rukt en je oor verstopt. Aan het eind van de haven botst het opgezweepte water tegen de kade en springt omhoog in plukken en pieken. Zand stuift. Ik zie op het havenhoofd mensen staan. Met bolgeblazen jassen en wapperend haar leunen ze ruggelings tegen de wind. Als één man kijken ze naar zee, naar het noordnoordoosten. Ze wijzen naar iets dat ik niet kan zien.
Boven op het havenhoofd suist de wind, razen golven op tegen het basalt. De lucht is vol druppeltjes en zout. Boven zee trekken wolken hun schaduw mee naar het noordoosten. Daartussen baden rollende golven in zonlicht. Ze zijn langer maar hoger dan vanochtend. Waar ze breken waait sneeuwwit schuim van hun toppen. En daar in de verte, waar de scheidingston van het Vaarwater over de Bollen moet liggen, schittert even sneeuwwit een zeiltje. De romp is onzichtbaar. Nee, dat is niet helemaal waar, af en toe springt het over een golf, een moment zichtbaar voor het in buiswater verdwijnt. Die boot ligt duidelijk op de haven aan, zo hoog mogelijk aan de wind. Hij zou de haven halen als hij de vloed niet tegen had. Om me heen roepen toeschouwers elkaar toe. ‘Hij haalt het wel!’ ‘Nee man, kijk dan, hij zakt weg, de stroom is te sterk!’ De pessimist krijgt gelijk, de boot haalt het op geen stukken na, hij moet door de wind. Je ziet hem opsturen, boeg naar de wind, klimmen tegen een golf, snelheid verliezen, teruggesmeten worden door de golfkam en terugvallen op zijn oude koers. ‘Aaach’, gaat het door de toeschouwers.
Nu komt het er op aan, als het de tweede keer niet lukt, slaat de boot benedenwinds van de havenmond op de dijk. Hij maakt snelheid, nadert gevaarlijk dicht de dijk en stuurt opnieuw naar de wind. Vrijwel meteen ligt hij stil, onbestuurbaar. Dan trekt iemand op dat scheepje het fokje bak. De wind doet het knallen maar het doet zijn werk en de boeg zwiept door de wind. Te ver, te ver. Eer de boot weer aan de wind zeilt... allemaal meters die hij opnieuw moet bevechten. Weg zeilt hij nu. Bijna is hij weer verdwenen achter de golven als we de zeiltjes even zien klapperen. Is hij door de wind? Ja, hij ligt weer op de haven aan. Gaat hij het dit keer halen? Niet als hij niet hoger stuurt. Niet als de zeiltjes daar niet strakker worden aangetrokken. Toe dan! Toe dan! Oei, een grote golf duwt de boeg naar lij. Loef op! Op! Nee, hij zakt weg, hij gaat het havengeultje missen. Hij mist het. Hij gaat opnieuw door de wind, gelukkig in één keer. De zeilers onder de mensen op het havenhoofd schudden hun hoofden, leggen minder nautisch onderlegde toeschouwers uit wat er gebeurt. ‘Hij moet de slag naar buiten langer doorzetten, meer hoogte maken om het stroomverzet goed te maken. Hij moet zijn schoten doorhalen, je ziet die voorlijken killen als hij opstuurt. Hij moet… Hij moet.’
Alsof de zeilers daar buiten het hebben gehoord, zeilen ze door tot de Bollen en gaan dan pas door de wind. Ze sturen vervolgens niet naar de haven maar naar een punt bovenstrooms. Lukt het nu, de derde keer? Daar lijkt het op. Nee, nu niet te vroeg juichen, nog geen hoogte prijs geven, wachten met afvallen naar de havenmond! Als de twee zeilers, een jong stel, ten slotte binnenzeilen, klatert vanaf het havenhoofd applaus op hun dankbare gezichten neer.
In de jachthaven hoef je niet lang naar het scheepje te zoeken. Natte slaapzakken wapperen drogend aan het giekje, matrasjes liggen vastgebonden op de steiger in de zon. Ik feliciteer het stel met hun veilige binnenkomst. ‘Ja, het was spannend’, erkent hij terwijl hij wit zout van zijn gezicht veegt, ‘we waren net te laat en kregen de vloed tegen en dan wordt het vechten, want onze buitenboordmotor doet niks in zo’n zee.’Ineens komen er volkomen onverwacht twee kleine meisjes aan dek. Ik vraag: ‘En, wat vonden jullie van het zeilen met die hoge golven?’ ‘Leuk’, zegt de een. ‘We zaten helemaal in de punt en het ging zó op en neer’, zegt de ander vrolijk en ze zwaait met haar armpjes. Ik kijk naar de vader. Die haalt zijn hand over zijn rood betraande ogen en kijkt weg.
Zout.