TexelNU achtergrond

Lyubov

Lyubov

Lyubov


Willem Duijcker heft zijn arm en knijpt zijn ogen dicht. Hij wacht tot de stormvlaag wat mindert en het zand niet zo striemt. Dan tuurt hij door het donker weer naar zee. Dikke rollers beuken op het strand, bleek lichtend, als bliksem achter verre wolken. Hij voelt ze meer dan hij ze ziet.

Waarom hij daar staat op Eierland in zijn lange fladderjas weet hij zelf niet precies. Hij viste gisteren met Cornelis boven Nieuwdorp. Toen de wind te fel werd, sjorden ze de boot op het zand, noord van de Roggesloot, schuilden en sliepen in de hut van Vooght. Iets heeft hem gewekt. Een geluid? De harde noordwester? Misschien. Hij tuurt over het bruisende Eierlandse Gat. Een licht?

Daar. Een flakkerlichtje daar… En dan een zwak geloei, als van een koe in nood… een scheepshoorn. Een schip zeilt binnen door het onbetonde gat. Dat kan niet goed gaan. Het licht stuikt, ze zitten aan de grond in de branding. Ah… nu beweegt het weer… Weer vast … het dooft… verschijnt. Doffe klappen. En weer die klagelijke toon.

Willem neemt zijn klompen in de hand en rent op sokken van het duin. In de hut trekt hij Cornelis van zijn strozak. ‘Wakker worden broer, een schip voor de deur. We laten die sukkels niet verzuipen. Kom op joh… Nee, geen tijd om je uit te rekken, straks krijgen we de vloed tegen.’ Samen rennen ze naar het strand. Samen werpen ze zich tegen de boot, die met tegenzin naar het water schuift. Samen roeien ze noordwaarts, eerst nog beschut, dan door deining, dan steigerend over rollers. In een paar seconden zijn ze doorweekt. De boot klotst vol. Af en toe hoost de een met een kistje terwijl de ander de boeg op de golven houdt en speurt naar het flakkerlichtje in de schemering. Dan sleuren ze weer aan de riemen tot het bloed in hun handen staat.

Na drie kwartier liggen ze in de lij van het wrak. Een kleine brik, van de twee masten staan alleen nog stompen overeind, de rest deint naast de romp in een wirwar van hout, touw en zeil. staat er op de spiegel: een Rus. Steeds dondert er een golf tegen de romp, spoelt met geweld over het dek en stort zich door de gebroken verschansing weer in zee. Twee baardige mannen staan wild te gebaren in de luwte van de roef. Daar krijgen Willem en Cornelis hun boot tot vlak bij het wrak, de boot rijst, een van de Russen springt met zijn schenen op de voorste doft, hij schreeuwt en valt. Willem sleurt hem overeind: ‘Hozen jij!’. Een dozijn wilde bewegingen later weer een kans. Ze rijzen tot dekhoogte, hangen daar seconden onbegrijpelijk stabiel, de tweede Rus slaat een kruis en stapt kalm in de boeg, die meteen weer diep wegzakt en zowat vervult raakt als een volgende golf als een waterval van de brik stroomt.

‘Waar is de rest?!’ Willem grijpt hem bij zijn baard. De man maakt een armgebaar naar zee en haalt zijn schouders op. Maar de hozende Rus wijst naar de roef. ‘ … Mädchen.’ ‘Wat? Meisje? In de roef?! Cor, ik haal haar op, roei naar de roef, hé Rus, roeien jij!’ Willem wacht zijn kans af… springt in de resten van het bezaanswant, wacht op een droog moment en duikt in de roef. De brik kreunt en kraakt, de zee slaat planken los en sleurt ze mee. Even later verschijnt Willem weer op het achterdek, zwart silhouet tegen het ochtendlicht, fel klapperende jas, zijn arm om een tengere gestalte in veel te groot oliegoed. Ze schuilen in de lij van de roef als een volgende golf aan weerszijde langs schuimt. Als die zee weg is en Cornelis de boot tegen het wrak roeit, zwaait Willem haar met een beweging in de boeg en springt er zelf achteraan.’ ‘ ’ roept het meisje angstig en ze klampt zich vast aan Willem. Haar capuchon is terug­geschoven. Ze heeft blonde vlechten en ogen van het diepste blauw.

Op de jachthaven van Oudeschild is het nog stil. De voorjaarsochtend ligt als een vochtig laken over het handjevol zeiljachten. Eenhoorn is met dauwdruppels bedekt. Ik ga van boord en wandel over de haven naar de vreemde boot aan steiger 1 die gisterenavond binnenliep. Daar ligt ‘ie. Hm, ouder dan ik dacht. Een brede houten schuit, groot als een botter, maar met kajuit. Laag gaffeltuig. Op de boeg een onbegrijpelijke naam: Lyubov. Ik stop bij haar brede spiegel met zwaar aangehangen roer. Ah, iemand is wakker… Uit de kajuit komt een veertiger met baard in een lange fladderjas. Ik fluister: ‘Goedemorgen.’ ‘Ook goedemorgen.’ ‘Wonderlijk schip… maar eh, ik wil niet storen, het is nog vroeg.’ ‘Niks te vroeg. Ja, voor mijn kinderen in het vooronder. Een wonderlijk schip zei je? Letse visserman. Zelf opgehaald. Chris Jonker. Wil je koffie?’ Er volgt een uitzonderlijk verhaal over zijn studie Slavische talen, zijn reizen langs de Oostzee en hoe hij verliefd werd op een Letse en deze visserman. ‘Onze familie heeft iets met Rusland. Ook met Texel trouwens. Mijn moeders overgrootmoeder - of betovergrootmoeder, daar wil ik vanaf zijn - heette Lyubovna, inderdaad, de naam van dit schip, maar de vrouwelijke vorm. Zij was een Russische kapiteinsdochter, gered van een wrak in de Eierlandse gronden door een Texelaar, ene Willem Duijcker. Liefde op het eerste gezicht. Ze is altijd op Texel gebleven. Ze heette Nadjezjda Petrovitsj Lyubovna. ’t Heeft me een week gekost om het te leren uitspreken. Maar dan heb je ook wat. Moet je horen. Na-djezj-da. De naam danst. Mooi hè.’ Ik doe een poging: ‘Na-djezj-da Lyu-bov-na.’ ‘Mooi. En wat betekent Lyubov eigenlijk?’ ‘Dat betekent liefde.’