Frank
Frank en ik staan op de waddendijk van Texel en genieten van het uitzicht over Dijkmanshuizen. Wattige wolkjes trekken vanuit zee over de verre duinen, groeien aan en zeilen als in lakens verpakte galjoenen over onze hoofden naar de Waddenzee. Frank grinnikt vanonder zijn verrekijker en speurt naar vogels. Hij wordt bediend: gruttos, tureluurs, buitelende kievieten, eenden in soorten en maten.
‘Is this your fucking Yellowstone? Why, you guys do think small in your little country.’ Typisch Frank, hij moppert, dus hij geniet.
Toen ik hem in 1972 leerde kennen, was Frank cadet op de Amerikaanse driemastbark Eagle, de voormalige Duitse Horst Wessel. Ik zat als gast op de grote ra. Onder mij ging de kapitein tekeer tegen de bootsman en de aangetreden bakboordswacht: sommige cadetten ‘maakten misbruik van de vrijheid om zelf hun haarlengte te bepalen’. Frank was de eerste die uit de rij werd gehaald om ter plekke te worden kaalgeschoren. De kapper stond klaar als een beul. Franks haar waaide in plukken over dek en overboord. Hij keek daarbij omhoog, grijnsde naar me en maakte stiekem het V-teken. Honderden mijlen en weken later reden we samen stoned door Nederland in de 2CV van mijn moeder. Aan de IJssel kreeg die een klapband. Terwijl we in de weer waren met het reservewiel sloeg een havik een duif en terwijl de duivenveren op ons neerdwarrelden meldde de radio de Palestijnse aanslag op de Israëlische Olympische ploeg. Op dat moment waanden we ons ingewijden in de organisatie van de dood. Sindsdien is ons contact nooit helemaal verloren gegaan: een jaarlijkse brief, later mails. Frank verhuurt nu jachten aan de Amerkaanse oostkust. Ons eerste Skype-gesprek was aanleiding voor zijn komst: ‘to see how the Dutch are doing in their marshes’.
Frank lijkt nauwelijks nog op de cadet van toen. Hij is gezet en kalend. Maar zijn ogen zijn hetzelfde fel blauw van toen en hij heeft nog altijd iets van de vrolijke rebel XXXXX. Wat ga je doen met zo’n man? Zeilen naar Texel? Dat idee vindt hij ‘super’. Mijn Eenhoorn vindt hij een ‘charming washtub, how do you know it won’t sink’, het IJsselmeer een ‘muddy pool’ en de Afsluitdijk een ‘bloody disgrace against nature’. Maar op de Waddenzee klaart hij op - ‘this is the real thing’ - en op Texel kan zijn humeur niet meer stuk. Hij hijst zijn grote lijf op een huurfiets en peddelt in mijn kielzog noordwaarts, langs de meertjes Troelje en Snippen, langs Dijkmanshuizen en de schorren waar talloze steltlopers wachten op laagwater en lepelaars in de weer zijn met hun jongen. Bij de vuurtoren van De Cocksdorp hobbelt hij als een doorvoede struisvogel het oneindige strand op, draait rondjes en zwaait met zijn armen, oplettend gevolgd door een groepje opgewonden kokmeeuwen. Zwaar ademend komt hij tot stilstand.
‘Wow,’ hijgt hij, ‘this is cool, like the lighthouse of Fire Island near New York, but wilder.’
Onstuitbaar fietst Frank even later door de duinen. Hij wil afdalen in De Slufter, ‘to put my feet there in the mud’, maar ik verbied het hem - ‘Jij sterft daar aan een hartaanval en ik krijg die buik van jou nooit meer naar boven.’ Lachend trappen we verder, Frank joelend en met zijn benen wijd als het duinafwaarts gaat. En ik weet zeker dat de dag geslaagd is… tot we een biertje drinken bij het Georgisch monument. Frank wijst met zijn kin naar de gedenksteen.
‘What is this, Mike?’
‘Dit is het Georgisch Ereveld Frank. Hier liggen 476 Georgiërs, Duitse hulptroepen die in april 1945 tegen hun meesters in opstand kwamen en bijna allemaal werden gedood, net als bijna honderd Texelaars trouwens.’
Vanaf dat moment is Frank stil. We fietsen terug naar Oudeschild, leveren onze rijwielen in, gaan terug aan boord van Eenhoorn: Frank gaat zitten als een zak erwten en zegt geen woord. Het is een paar uur voor hoogwater, dus steken we schuin de Texelstroom over, zeilen over de ondiepe Bollen en door het bochtige Visjagersgaatje terug naar Den Oever.
’s Avonds meren we af in de Waddenhaven en halen een gebakken visje. Op de dijk kijken we uit over de opnieuw droogvallende platen in de Waddenzee en de verre grijze bult van Texel. Frank kauwt in stilte.
‘What’s the matter Frank? What happened there on the island?’
Hij haalt zijn schouders op.
‘Texel is a great place. It’s just… my father died in the second week of january, 1945 in the Ardennes, fighting the Germans. He was never found… I wasn’t even born. Seeing the monument on Texel… well, sometimes the past hurts … like people on Texel may still feel the pain.’
Frank haalt zijn schouders nog een keer op en het lijkt alsof hij zijn sombere bui van zich af schudt. Hij wijst naar de horizon.I’m sorry Mike, bullshit, I like Texel, let’s go back tomorrow yeah?’
Georgische begraafplaats: Zuid Haffel 42, Den Burg