Nol
Op de Noordzee staat Nol Draayer aan het roer van zijn enige bezit, de vissersschuit van zijn in de storm van 28 mei 1860 verdronken grootvader: een oud schip, de laatste overnaadse blazer van de vloot. Ze zit vol rotte plekken en is op de naden beslagen met oude dakgootplaten. Zijn vader bleef op zee toen hij nog luiers droeg. Geen familie meer. Nol kan er om huilen en schreeuwen. Er gaan ook maanden voorbij dat het hem niet deert. Hij vaart en vist. Hij is zijn eigen man.
Het is de ochtend van 30 september 1911, een vroege najaarsstorm zal huishouden onder de vissers. Maar dat weet Nol niet, evenmin als de mannen op de andere blazers waarvan hij achteruit slechts dansende lichtjes ziet. Nol kijkt naar het oosten; flarden donkerblauw verraden de nadering van de nieuwe dag. Langzaam krijgt Nol’s blazer zijn omtrekken terug: een breed planken dek, een hoge kop met spil, een mansdikke paalmast waaraan getaande zeilen bollen op de wind: TX3 staat er wit in het grootzeil. Een golf nadert van achteren, tilt het schip op en loopt onder het vlak door naar voren zodat de kont zakt terwijl de kop naar de hemel wijst - een lege goddeloze hemel, weet Nol. Dan zakt de kop en rijst de kont terwijl de zware schuit versnelt en bruisend op de golf meezeilt.
Langzaam wordt het lichter. De zee blijkt grijs met flinke golven en witte strepen in de richting van de wind. Een paar blazers zijn in zicht, het ene moment hoog op een golf, het volgende er achter zodat alleen de zeilen zichtbaar zijn. Bij de zwaardkop aan loef ziet Nol een vormloos hoopje liggen: zijn halfwas, een wees als hij, de schriele jongen die hem helpt bij het halen van zijn net en het roer houdt als hij zijn hazeslaapjes doet, de enige die wel met hem mee wilde, de enige die niemand had om hem tegen te houden, behalve oude wijven en boeren die altijd al afgeven op vissers en hem, Nol, ‘de duivel’ noemen. Nol schiet in de lach en schatert tegen de overjagende wolken die dikker worden terwijl zijn natte haar opzij waait in slierten. Een breker stompt zijn schip, een ton water slaat aan dek en stroomt schuimend naar lij. Het schip kreunt. Nol zet de helmstok op de pen, doet vier stappen voorwaarts en schopt tegen de slapende jongen: “Hé, Geert, pompen!” Zonder af te wachten beent hij terug naar het roer, rukt de pen uit het hout zet zich schrap tegen de helmstok. Geen blazer op de Noordzee vaart met één man en een jongen, allemaal hebben ze minstens twee man en een jongmaatje aan boord. Nol niet. Die gooit zijn oersterke lijf in vallen en schoten en sleurt zegen of beug uit zee alsof het niks weegt en veegt de vis met zijn klompen in de bun. Nol wil geen tweede man. Hij zou er geen vinden die wilde.
Nol woont in ‘Strend’, Oosterend voor ‘overkanters’, vreemden van de andere kant van het Marsdiep. Eigenlijk niet in Oosterend zelf, niet op de oude stuwwal die het ijs achterliet toen het zich terugtrok aan het eind van de voorlaatste ijstijd, meer in de laagte waar een eeuw eerder het nu verzande haventje lag. Een plek voor zonderlingen, voor uitgestotenen. Bij Nol weet je niet of de gemeenschap de uitgestotene is of hij. Nol is hartstochtelijk in zijn hekel aan anderen. Net als alle andere Oosterenders overigens: boeren kijken neer op vissers, gereformeerden op hervormden, vrijzinnigen op katholieken. Land tegen water. ‘Fijnen’ tegen ‘groven’. Oosterenders noemen lui van Oudeschild ‘Schildbokken’ en Oudeschilders Oosterenders ‘Gortebuuken’. Ieder zijn eigen dorp, zijn eigen gezindte. Maar Nol is zijn eigen gezindte. Hij trekt gekke bekken tegen dominees en is op zondagen nergens te bekennen. Twee jaar geleden trok hij de deur van een volle kroeg open en riep: “God bestaat niet! Alleen de zon, de zon!” Het geroezemoes en getinkel van glaswerk verstomde. Nol keek naar binnen met de triomfantelijke uitdrukking van iemand die zojuist een groot raadsel heeft ontrafeld en rende vervolgens armen zwaaiend naar huis.
Vissers hadden nog het meest geduld met Nol. Maar ook zij mijden hem nu. Dat komt door Nol’s roer. Zijn roer had traditionele versiering: prinswerk langs de klampen en een klaverdrie aan de voorkant van de helm. Dit voorjaar gutste Nol een voorstelling aan weerszijde van zijn roerkop: een opkomende zon met sterren. Een klap in het gezicht van zijn behoudende medevissers. En het gekke is, sindsdien is Nol’s rotte blazer de snelste van de vloot. Hij zeilt hoger aan de wind en harder dan de nieuwste blazer. Zo ook deze ochtend van 30 september. Als de wind krimpt en aantrekt, zit Nol al dicht bij de ingang van het Molengat, op weg naar Oudeschild. Nog een uurtje en hij krijgt beschutting van de Noorderhaaks. De anderen, negentien god-vrezende mannen op zes blazers, dreigen te stranden, moeten overstag en een slag maken over de grauwe zee, de grote storm tegemoet.