Broers
Eenhoorn hangt vredig met zijn anker aan de klei van het Amsteldiep. Het is nu stil water in het geultje. Een prik staat verderop roerloos boven zijn spiegelbeeld. Het weerbericht belooft een koude nacht zonder wind. Tijd om de kachel aan te steken en bij een wijntje iets aan de aardappelen te doen.
Ik ben nog niet aan het schillen of ik hoor buiten ritmisch geplas. Roeispanen? Wie roeit hier nou, mijlen van land? Terug aan dek! Verdomd, uit het noorden een sloep. Een verveloos ding. Zwart hout met roestige dollen en ringen en een groene baard. De roeier draait zijn eigen baard over zijn schouder en roept: ‘Hé daar, jacht!’ Langzaam draait de sloep langszij. De boot ligt vol vaarbomen, touw, ankers, een palingijzer, twee vaatjes, een gaaf mastje en een opgerold loggerzeil. De roeier blijkt een lange vent in schaapgevoerde broek en jas en laarzen. Hij kijkt me aan met zwarte ogen maar tussen zijn blonde baard en snor krult een aanstekelijke spotlach. ‘Je ligt hier wel vaker, niet? Mooi scheepje!’ ‘Dank je wel. Maar eh, wat doe jij hier?’ ‘Zoeken… naar de Twee Gebroeders, die ligt hier ergens in de modder. Ha, ha, moet ik dat uitleggen, dat kost je een borrel voor een vermoeide roeier, ’t is nogal geen eind van Skil.’ ‘Wat, kom je helemaal van Oudeschild geroeid?’ ‘Ja, zeilen ging niet, ‘t waait niet echt dat ‘t rookt, wel? Trouwens, ik ben Jan Buijs.’
Even later zit Jan Buijs in mijn kajuit en wipt zijn glaasje achterover. Ik schenk het vol. Hij tuurt in de lamp. ‘Die Twee Gebroeders hè, da’s een familiezaak. Mijn hele familie is Texels. Al eeuwen. Altijd boeren en schapen en als het uit kon een schip erbij. Eind 19e eeuw hebben de Buijsen de benen goed onder het lijf: een flinke boerderij onder Den Hoorn en een kofschip van 136 ton, de Hendrika. Boer en reder toentertijd is mijn voorvader Johannes Buijs, een opvliegend man met twee zonen, David en Neel. David, de oudste, trouwt maar blijft kinderloos. Als vader Johannes broos wordt, zet David een neef op de boerderij en vaart zelf vracht met de Hendrika. En Neel? Die ligt niet best bij de Buijsen. Neel is boer noch schipper, een rusteloze vent zonder geld maar met een kind in Alkmaar. Op een dag, voorjaar 1794, komt Neel terug op Texel en verstopt zich op de Hendrika. David vermoedt dat Neel is gedeserteerd uit het Brabantse leger. Levert hij zijn lapzwans van een broer uit? Nee.’
Jan schuift zijn glaasje naar voren. ‘Dank je. Goed. Die oorlogszomer varen de broers noodgedwongen samen. Maar ze lusten mekaar niet. Stille strijd. David veroordeelt Neel, Neel benijdt David. In december ligt de kof leeg voor Texel, daar, achter de Hors, met beide broers aan boord.’ Jan wijst met zijn glaasje door de scheepshuid naar de Mok op Texel. ‘Die maand vriest het dat het kraakt. In Brabant valt generaal Pichegru binnen over de bevroren rivieren. Hier op de rede knipt drijfijs de ankerkabels van meerdere schepen door. Ook de Hendrika gaat aan de haal. Eerst met de eb tot in de Helsdeur, dan over de vloed in het Malzwin. Het ijs knijpt, het schip kraakt en lekt. Toch raakt Hendrika in open water, hier, voor het toen brede Amsteldiep. David wil het tweede anker uitgooien voor ze stranden op de Lutjewaard. Maar Neel verspert hem bij de grote mast de weg. Hij roept: ‘Ik mocht de boerderij niet, ‘k kreeg geen deel van ’t skip, jij kreeg alles, waarom zou ik ‘t redden?’ ‘Om je eigen huid en je bastaardkind, kloothannes, wil je verzuipen dan?’ Neel spuugt. ‘Wel als jij meegaat, trotse kapoen!’
Dan vallen er klappen en trappen. Tot Davids woede krijgt hij zijn schriele broer er niet onder. Met bebloede kop staat Neel pal voor het anker dat moet vallen. Bij David wint als altijd de rede. Hij hijgt: ‘Een kwart kof voor het anker, de helft van mijn deel.’ Neel huilt en twijfelt. David ziet de met ijs bedekte platen langskomen en denkt na. ‘En we herdopen het schip in Twee Gebroeders, doe je het daarvoor?’ Neel knikt, veegt met zijn teerhand over zijn ogen, stapt opzij en snijdt de sjorring op het anker los. Samen grijpen ze de ankervloei en kantelen het anker van de verschansing. Het valt door een grote schots en de ankertros loopt grommend door het kluisgat...’ Jan leegt zijn glaasje en staat op. ‘Tijd om te gaan, de vloed loopt, misschien dat ik het wrak vind vannacht.’ ‘Maar Jan, het anker viel toch, ze waren toch gered?’ Jan keert zich om op de kajuittrap. ‘Te laat, het schip liep vast, dwars op een kreek en brak zijn rug.’ ‘En de broers Jan, de broers?’ ‘Te weinig, te laat!’
Even later klinkt ritmisch geplas van roeispanen. Als ik mijn hoofd buiten de kajuit steek blijkt het allang donker. Sterren en maan weerspiegelen in het Amsteldiep. De vloed lispelt langs de romp. Geen sloep meer te bekennen. Een rare vent. Je zou gaan twijfelen… Maar naast mijn halfvolle wijnglas staat een borrelglaasje en een half lege kruik.