TPL_SIDEBAR_MENU_TITLE

  • Home
  • TexelNU
    • Texel uitgelicht
    • Met de boot naar Texel
    • Hardlooproutes
  • De krant online
    • Bladerboeken
  • Webwinkel
  • Contact
  • Search
TexelNU | uitgever van boeken, tijdschriften en producten over Texel TexelNU | uitgever van boeken, tijdschriften en producten over Texel TexelNU | uitgever van boeken, tijdschriften en producten over Texel
  • Home
  • TexelNU
    • Texel uitgelicht
    • Met de boot naar Texel
    • Hardlooproutes
  • De krant online
  • Webwinkel
  • Contact
  • Search

Texelse families

Bedrijf familie Schuijl groeide uit tot grote speler

‘Wij zijn ondernemers met een sterk onderbuikgevoel’


Kort na half acht ’s morgens begint op werkdagen aan de Abbewaal ‘De Grote Uittocht’. De meer dan twintig bedrijfswagens van Installatieburo IBS Oele Schoo zwermen uit over het eiland voor grote en kleine installatieklussen. Het familiebedrijf, waarvoor de basis werd gelegd door opa Martien Bakker, groeide in de afgelopen decennia uit tot een van de grotere ondernemingen op het eiland.

 

De oude zwart-witfoto’s in de gang van het pand vormen een mooi contrast met de modern ingerichte kantoren. In vogelvlucht krijgen bezoekers de bedrijfsgeschiedenis mee. Sinds 2000 is Menno Schuijl directeur-eigenaar van het installatiebedrijf, dat werd opgericht door zijn vader Piet (1944). Die nam op 1 oktober 1978 Elektrohuis Bakker over. ‘Dat was van mijn opa Martien Bakker, de vader van mijn moeder. Hij verkocht apparatuur, van witgoed tot bliksembeveiliging en grammofoonplaten. Daarnaast kon je er terecht voor aanleg en reparaties van elektra. Mijn moeder werkte in de winkel’, vertelt Menno. Piet Schuijl, zelf elektromonteur, verhuist de elektro-tak van de Weverstraat naar de loods aan Maricoweg 10A. Voor de zes monteurs die Piet in dienst heeft, is er volop werk. Al snel volgt echter een moeilijke tijd, wanneer in 1980 de crisis uitbreekt. Ook op Texel hebben ondernemers het zwaar. ‘Mijn vader besloot tegen de stroom in toch een bedrijfsschuur te kopen aan de Drijverstraat. De rente was destijds zo’n twaalf procent.’ IBS voorheen Elektrohuis Bakker, zoals het bedrijf aanvankelijk heet, overleeft de crisis en groeit. Piet heeft een duidelijk doel voor ogen: hij wil meerdere disciplines, in elk geval elektrotechniek en loodgieters- en zinkwerk, onder één dak, zodat klanten één aanspreekpunt hebben. ‘De eerste stap naar die doelstelling was op 1 oktober 1989 de overname van loodgietersbedrijf Oele. Mijn vader had daar totaal geen ervaring mee, maar vertrouwde op de zes loodgieters die Oele in dienst had.’

Planken poetsen

Het gezin Schuijl, met moeder José en zoons Marc (1969) en Menno (1972), woont in de woning voor het bedrijfspand aan de Drijverstraat. Menno: ‘Ik weet niet beter of ik liep in de loods rond. Een zakcentje verdienen met planken poetsen en karton opruimen. Toch wist ik op jonge leeftijd niet of ik ook in het bedrijf zou gaan werken.’ Interesse voor elektrotechniek heeft hij dan al wel. ‘De MTS bleek niks voor mij. De technische vakken gingen prima, maar de rest… Uiteindelijk ging ik naar het ROC: werken, leren en geld verdienen. Dat vond ik leuk.’ Menno haalt alle benodigde papieren. ‘Negen jaar heb ik buiten gezeten om het vak goed te leren. Ik heb me nooit als het zoontje van de baas opgesteld en kreeg gewoon op m’n donder als ik het niet goed deed.’ Toch wordt hij op z’n negentiende al directeur. Grinnikend: ‘Dat was om onder de dienstplicht uit te komen. Denk maar niet dat ik ook een directeurssalaris kreeg, hoor.’

Samenwerking Schoo

De datum 1 oktober loopt als een rode draad door de bedrijfsgeschiedenis. Vanaf die datum in 1992 gaat Piet Schuijl intensief samenwerken met Schoo BV, het bedrijf van Joes Schoo, gespecialiseerd in centrale verwarming en gasinstallaties. Door de toevoeging van deze derde bedrijfspoot is meer werk- en opslagruimte nodig. Aan alle kanten barst het bedrijf uit z’n voegen. Nieuwbouw aan de Abbewaal, toen nog in de kinderschoenen als bedrijventerrein, biedt uitkomst. Behalve een ruime opslag en voldoende werkruimte, krijgt IBS ook een showroom. In 1994 worden tegenover het bedrijfspand extra schuren gebouwd voor opslag. Rond de millenniumwisseling neemt Menno het bedrijf over. Zijn oudere broer Marc stapt niet in het bedrijf. Hij bouwt een loopbaan op in de recreatieve sector en neemt in 2015 met echtgenote Simone Duinpark & Camping De Robbenjager over.

‘Bel maar als je vragen hebt’

Na de overname bouwt vader Piet zijn werkzaamheden gestaag af. ‘Op een dag in 2001 zei hij: Als je vragen hebt, bel je maar. Tja, dat was best even slikken, want ik had er nog wel een paar! Maar ik heb hem maar één keer gebeld. Wel besloot ik om Olaf de Porto en Chiel Boogaard, die al jaren bij ons werkten, bij de bedrijfsvoering te betrekken. Zij werden medeaandeelhouder en zo deelden we de verantwoordelijkheid. Het was prettig om dingen aan hen over te kunnen laten en om te sparren.’ Stille kracht op de achtergrond is volgens Menno zijn echtgenote Corina. ‘Als ondernemer lukt het niet om al het werk te doen tussen acht en vijf. Ik ben van huis uit gewend ook buiten kantooruren met het bedrijf bezig te zijn. Corina heeft een heel andere achtergrond, maar heeft me hierin altijd gesteund en in staat gesteld het bedrijf verder op te bouwen.’

In 2002 biedt Dries Veltkamp zijn installatie- en loodgietersbedrijf ter overname aan. ‘Dries had goede mensen en een mooie klantenportefeuille.’ Als Schoo in 2007 stopt, komen alle aandelen in handen van Schuijl en wordt IBS Oele Schoo ook fiscaal één bedrijf. Met meer dan dertig medewerkers is de onderneming voor veel Texelaars een vertrouwd adres voor kleine en grote installatieklussen. Bij veel grote bouwprojecten is IBS betrokken. Als zich kansen voordoen, aarzelt Menno niet om die te grijpen. ‘Wij zijn van huis uit ondernemers met een sterk onderbuikgevoel. Als het goed voelt en het ziet er goed uit, doen we het. Dat heeft ons veel gebracht.’ De ontwikkelingen in zijn branche gaan hard, vooral op het gebied van duurzaamheid. ‘We investeren veel in kennis en innovatie. Dat is nodig om up-to-date te blijven. Klanten verwachten dat ook van ons.’

Opvolging

Vooralsnog lijkt het onwaarschijnlijk dat de derde generatie Schuijl in het bedrijf komt. ‘Onze zoons Maarten (22) en Huub (19) hebben die ambitie niet. Dochter Susanne is nog maar elf. Misschien blijf ik nog wel twintig jaar in het bedrijf werken, maar je weet niet hoe het loopt.’ Onmisbaar wil hij beslist niet zijn. ‘Als ik zou uitvallen, moet alles kunnen doordraaien. Dat is nu goed geregeld. We hebben een fantastische groep mensen. Met die continuïteit zit het wel goed.’ Zijn werk verveelt hem niet, maar nieuwe uitdagingen gaat Menno niet uit de weg. ‘Ik ben op veel andere vlakken actief en dat zorgt ervoor dat ik het leuk blijf vinden.’ Aan stoppen denkt hij niet. ‘Wat moet ik met mijn tijd doen? Af en toe op de golfbaan is leuk, maar niet elke dag. Mijn vrienden werken ook nog. Ik wacht eerst maar eens een jaartje of tien op Susanne. Wie weet, wil zij in het bedrijf.’

IBSOELESCHOO001-a
IBSOELESCHOO001-b
IBSOELESCHOO002-a
IBSOELESCHOO002-b
IBSOELESCHOO003-a
IBSOELESCHOO003-b
IBSOELESCHOO004-a
IBSOELESCHOO004-b
IBSOELESCHOO005-a
IBSOELESCHOO005-b
IBSOELESCHOO006-a
IBSOELESCHOO006-b
IBSOELESCHOO007-a
IBSOELESCHOO007-b
IBSOELESCHOO008-a
IBSOELESCHOO008-b
IBSOELESCHOO009-a
IBSOELESCHOO009-b
IBSOELESCHOO010
IBSOELESCHOO011
IBSOELESCHOO012
IBSOELESCHOO013
IBSOELESCHOO014
Zaak weverstraat
Zaak

Transportfamilie Schouwstra heeft echte fans

De mooiste truck van Nederland staat op een oprit aan de Abbewaal

Zonder hen geen verse jus bij het ontbijt of bier in de kroeg. Talloze producten brengen ze van A naar B. Vrachtwagenchauffeurs zijn onmisbaar. Neem Texelaars Jan en Jelle Schouwstra. Ze vervoeren bloemen en planten van de bloemenveiling in Aalsmeer naar Scandinavië, vooral naar Zweden.


In 1984 begon Jan met geconditioneerd vervoer naar Zweden. Voornamelijk snijbloemen en planten. ‘Die hebben een geïsoleerde cel nodig. ’s Zomers om de bloemen koel te houden, ’s winters om ze niet te laten bevriezen’, legt Jan uit. In 1989 investeerde hij in zijn eerste eigen vrachtwagen: Schouwstra Scandinavian Transports BV was een feit.

Al snel groeide het bedrijf flink uit. ‘Binnen enkele jaren had ik tien auto’s. Dat groeide me boven de pet’, vervolgt Jan. ‘We konden de aanvragen niet meer bijhouden en naast het rijden op de auto, had ik veel te veel werk aan planning en administratie.’ Inmiddels is het bedrijf actief met vier auto’s en vier chauffeurs, waaronder zoon Jelle.

Beretrots


‘Zolang ik me kan herinneren rijd ik met mijn vader mee op de vrachtwagen. Prachtig vind ik het’, vertelt Jelle. ‘Als heel klein mannetje had Jelle al veel schaalmodellen en kon hij alle vrachtwagens – zelfs ‘s nachts – van veraf herkennen. Bedrijf, type, je kunt het zo gek niet bedenken. Nee, dat doe ik hem niet na’, lacht Jan. ‘Dan stond hij vrijdag rond lunchtijd al klaar op de oprit. De juf zoekt het maar uit, ik ga mee naar Zweden. Ach, dan nam ik hem maar mee.’ ‘Beretrots’ was Jan dan ook toen Jelle op zijn achttiende met zijn kersverse vrachtwagenrijbewijs achter hem aan reed richting Noord-Europa. Tegenwoordig gaat zelfs de volgende generatie al af en toe mee met een ritje naar Scandinavië. Jayson, Jelles vier jaar oude zoon, wil ook graag chauffeur worden. ‘Maar dan op de ambulance of de brandweerwagen’, roept Jayson. ‘Alleen dan wel met de ambulance naar Zweden hoor!’

Doordat Jan al dertig jaar in Zweden komt en ook Jelle al van kleins af aan, spreken ze allebei de taal. ‘We komen er zo graag. De mensen zijn behulpzaam en vriendelijk, het is er ruim. Je staat er nooit in de file en het is gewoon een ontzettend fijn land’, vertelt Jelle. Hij heeft er zelfs een appartement waar hij vrije tijd doorbrengt. ‘Ik heb er de afgelopen jaren veel opgebouwd. Dan neem ik mijn personenauto mee in de vrachtwagen en kan ik leuke dingen doen met mijn vrienden daar.’

Boot


Zo ver is het bij Jan niet, al vindt hij Zweden ook erg prettig. ‘Je komt aan op de eindbestemming. Men kent ons, wij hen. We maken zelf de deuren los, pakken koffie, nemen een douche. Zo gemakkelijk gaat dat niet altijd in ons beroep, het is vaak wachten.’ Een ander voordeel is dat de heren van Schouwstra Transport op Travemünde in Duitsland rijden en daar de boot nemen naar het Zweedse Malmö. ‘We zitten dan negen uur aan boord en hebben daarmee meteen onze lange rustpauze gehad, waardoor we daarna weer een flink stuk mogen rijden. Zo redden we het precies om binnen 24 uur de lading te lossen. Ideaal.’

Behalve liefde voor het beroep van chauffeur heeft Jelle ook enorm veel passie voor de vrachtwagen zelf. In 2017, 2018 en 2019 kreeg hij de prijs ‘Mooiste truck van Nederland’ in de categorie geconditioneerd vervoer. ‘Dat is een waanzinnige ervaring. Het interieur van mijn auto is ook wel heel uniek. Niks is meer zoals toen hij uit de fabriek kwam. Ik ben wel heel trots dat anderen het ook zo mooi vinden’, vertelt Jelle tevreden. Zijn vader vult aan: ‘Het is ongelofelijk. Laatst stonden er mensen bij ons op de stoep. Speciaal naar Texel op vakantie om Jelles vrachtwagen te bekijken. Na lang wachten kwam hij aanrijden. Uren hebben ze om de auto heen gelopen, zo mooi vinden sommigen dat dus.’

Media-aandacht


Dat Jelles auto populair is, blijkt ook wel uit de media-aandacht. ‘Ik ben ermee op RTL4, SBS6 en RTL7 geweest. En ik ben ook een van de gezichten van DAF. Binnenkort sta ik op de cover van het DAF in Action Magazine.’ Jan vindt het maar overdreven. ‘Voor mij gaat het erom dat ik een goede auto onder m’n kont heb. Maar ach, als hij het leuk vindt.’ En dat vindt Jelle. ‘Hoe gekker, hoe mooier. Ik houd ervan.’ 

Dankzij Jelles succes heeft Schouwstra Transport ook een goedlopende afdeling merchandise. Sleutels, koffiemokken, een schaalmodel, mutsen, T-shirts. ‘Echt van alles. De truien zijn ook populair. Mijn vrachtwagen heeft gewoon echt fans. Regelmatig doen personenauto’s veel moeite om om mij heen te blijven rijden en een fotoshoot met mijn vrachtwagen te doen’, lacht Jelle. ‘Ja, ik vind dat wel speciaal.’

                                                  

2 Daf wit 1 Grijs
2 Daf wit winter
3 Daf grijs
Binnenkant
Familiebedrijf_Fam_Schaouwstra_01_Stefan-Krofft-2020
laden bloemenveiling
Scania 1984
Truckstar
vooraan Ferry Malmo

Motto familie Langeveld Hoeve Nieuw Breda:

‘Alles wat beweegt, blijft’

Zeg je hoeve Nieuw Breda en Boutique Hotel Texel, dan heb je het over de familie Langeveld in Eierland. Pieter richt zich op de landbouw, Marianne houdt zich bezig met het hotel. En dan is er nog Marijn, die zich voorlopig niet wil vastleggen. Daarachter als stabiele basis vader en moeder Arnold en Annemiek.

 

Rond 1900 beboerde de opa van Arnold met zijn broer en vrouw de grond bij Sebastopol, vlakbij de vuurtoren. ‘Later kocht hij land in de Witte Hoek en stichtte daar de gelijknamige boerderij. Het was in Eierland armoe troef. Alles waaide weg en er wilde weinig groeien. Het waren de schapen en koeien die de polder vruchtbaar hebben gemaakt’, vertelt Arnold.

Rond 1930, in de crisisjaren, bleef ‘ome’ Reijer bij een openbare verkoping hangen aan Nieuw Breda. Arnold: ‘Omdat alles nog lopend of met paard en wagen ging en de dames toen ook al dik inspraak hadden, zei oma Langeveld: Dan gaan we mooi daar naartoe, want dat ligt een stuk dichter bij de familie in De Koog en Den Burg.’

De pottenschuur

Arnolds opa overleed in de oorlog. Na de oorlog pakte zijn vader met ome Reijer de boerderij weer op. Er ontstond een gemengd bedrijf, met veeteelt en akkerbouw. Eind jaren vijftig kwam het toerisme op. In de ‘pottenschuur’ (schapenschuur) maakten de lammerenhokjes plaats voor een pension. In de zomer werd de huisraad daarheen gesjouwd. Arnold herinnert zich hoe zijn moeder kookte voor de gasten. ‘De doppertjes en de worteltjes die over waren, gingen de volgende dag in de soep. Er was warm en koud stromend water op de kamers. Voor die tijd een ongekende luxe.’

Noodlot

Begin jaren zeventig sloeg het noodlot toe. De pottenschuur brandde af. Opgeruimd staat netjes, vond de gemeente, die geen vergunning voor herbouw wilde verlenen. Maar een Langeveld geeft zich nooit zomaar gewonnen. Arnold: ‘In het pension kwamen soms invloedrijke mensen van de vaste wal, die bestuurlijk de nodige invloed hadden. Ze kregen er lucht van dat hun vaste vakantieplekje gevaar liep. Hoe het kon weet ik niet, maar er kwam toch een vergunning.’

Het was de start van Hotel Texel. De boerderij raakte wat op de achtergrond. Arnold denkt met veel plezier terug aan zijn jeugd. ‘We sliepen in een tent of een ouwe caravan, want je kamertje werd verhuurd. Maar het was gezellig, mensen en kinderen op het erf.’

Uitdaging

In de jaren tachtig nam Arnolds’ broer Arie met zijn vrouw het hotel over. ‘Dat was ook het moment dat ik samen met Annemiek besloot om voor de boerderij te gaan. Het was hoofdzakelijk grasland en schapen. Graszaad-, aardappel- en bietenland werd verhuurd. Ons machinepark was niet meegegaan met dat van de collega’s.’ Een mooie uitdaging, vond Arnold, die met enthousiasme en een gezonde dosis optimisme aan de slag ging. Zijn brede achtergrond heeft hem geholpen bij het ondernemerschap. Doen wat de markt vraagt, maar wel een eigen visie houden. ‘We zijn zeker geen volgers. Als er tien linksaf gaan en wij denken dat rechts beter is, dan gaan we rechts.’ Pieter en Marianne knikken. ‘Wij zijn opgevoed met het idee uit te gaan van eigen kracht. Denk na wat je wilt en ga daarvoor.’

Marianne rolde in het hotelwerk, al was dat niet eens van jongs af aan bewust. ‘Helpen op de kamers bij ome Arie of in de afwas zag ik niet als werk. Ik was nieuwsgierig en draaide al jong in mijn eentje een dienst met ontbijt, inchecken, uitchecken, fietsen verhuren en het avondeten voorbereiden.’

Ome Arie besloot op zeker moment het hotel te verkopen. Arnold zat helemaal in de landbouw en Annemiek deed de exploitatie van kampeerboerderij ‘Immetjeshoeve’. Samen hadden ze hun handen vol. Marianne was voor een jaar in Australië, maar gaf aan wel oren te hebben naar het hotel. ‘Dat gaf best wat spanning in huize Langeveld. Er is de weloverwogen keuze gemaakt om Immetjeshoeve los te laten en te focussen op Nieuw Breda. Het was pittig en ontzettend leerzaam. We hebben de tijd overbrugd met geweldige medewerkers’, vertelt Arnold.

Nooit stilzitten

Marianne rondde de hotelschool af, kwam in het bedrijf. Er werd een doordacht plan gesmeed en een nieuw hotel gebouwd. Nu draait zij het hotel en is ze bestuurlijk actief in haar sector en voor de Texel Academy. Haar man Joost van Heerwaarden heeft met Internet Diensten Texel zijn eigen zaak en samen hebben ze een jong opgroeiend gezin. ‘Stilzitten is niet mijn sterkste kant’, lacht ze.

De boerderij, die in een paar jaar tijd groeide van 48 naar 150 hectare, werd Pieters’ domein. Granen, graszaad, uien, suikerbieten en pootaardappelen vormen de core business. Er is een boerderijcamping. Ook wordt volop aan agrarisch natuurbeheer gedaan en liggen er wandelroutes over de landerijen.

Nieuwe experimenten worden niet geschuwd. Zo was er enige tijd ruimte voor het stoken van gin en wodka van aardappelen en is er een drijvend zonnebassin. Samen met familie Van der Star van het gelijknamige loonbedrijf, is de Aardappel Bewaarplaats (CAB) overgenomen van Agrifirm, om zo een centrale plaats voor goederen en diensten voor de land- en tuinbouw op Texel te behouden. Maar daar blijft het niet bij. Pieter en zijn vrouw Marjet gaan op boerderij ‘Slufterhoeve’ verder bouwen aan hun toekomst.

Gemopper

De familie staat nooit stil. Wie bovenop zijn kinderen gaat zitten, laat ze niet groeien.

Arnold noemt het een mooie les die hij ooit kreeg. ‘Je zou misschien denken dat het anders is, want we zitten hier dicht op elkaars lip. Maar we geven elkaar voldoende ruimte om te ontwikkelen. Als we het niet eens zijn, dan is er wel wat gemopper. Maar voor mijn gevoel laten wij het iedereen op z’n eigen manier doen.’

Marianne zegt dat de discussies juist zorgen dat ze bewustere keuzes maakt. ‘Het laat me nadenken over risico’s. Als je alleen maar te horen krijgt dat alles goed is, groei je daar ook niet van. Datzelfde geldt voor zaken die spelen op de boerderij.’

En dan is er nog Marijn, de jongste zoon van Arnold en Annemiek. Hij heeft momenteel minder interesse in het hotel of de boerderij. Maar als het nodig is, staat hij voor zijn broer en zus klaar. Hij wil de wereld ontdekken, zit op de zeevaartschool en gaat binnenkort op de grote vaart. De overeenkomst is het ondernemerschap, dat hij net zo in zich heeft als de rest. Marianne en Pieter: ‘Het zou mij niet verbazen als hij over een paar jaar aanklopt en vraagt of er een rol voor hem hier is. Want hij vindt Texel toch het leukste. En dan is hij meer dan welkom.’

Afbeelding3 - kopie
Afbeelding4 - kopie
Afbeelding5 - kopie (2)
Afbeelding6
Afbeelding7
BHT
Familiebedrijf_fam-Langeveld_01_Stefan-Krofft-2020
Hotel Texel
hotel-texel-01
IMG_5690
IMG_5707
IMG_5720
IMG_5726

Modehuis Moerbeek synoniem voor service

'Ik stem het aanbod af op mijn klanten’


Vakkennis en gastvrijheid, dat is waarin Modehuis Moerbeek zich volgens Ingmar Moerbeek onderscheidt. ‘Als iemand de winkel binnenloopt, weet ik al welke maat ik uit het rek moet pakken.’ Die service én de kwaliteit van zijn kleding zijn de reden waarom Modehuis Moerbeek in deze tijd van internetwinkels nog altijd een bloeiend bedrijf is.

 

De opa van Ingmars vaders begon rond 1900 bij een kleermaker op Texel. Maar het bedrijfje waar hij in dienst kwam was breder dan alleen kleding. Een stoeltje, een matrasje, een handdoek: van alles met textiel was er verkrijgbaar. Het zaakje floreerde. Hoe het precies zat weet Ingmar niet. Er waren twee broers Moerbeek. De één heette Piet, die ging door met meubels. De ander, de vader van Ingmars vader, was Johannes en die ging in de confectie.

Het eerste winkeltje zat op het Schilderend. De oorlog sloeg een zwart gat in de familiegeschiedenis. Ingmar: ‘Maar daar werd bij ons thuis nooit over gesproken.’ Het bedrijf werd getroffen door een bom, dus is er niets bewaard in de vorm van foto’s of geschriften. Hoe de verhuizing naar de hoek Parkstraat/Elemert vervolgens is gegaan, weet Ingmar ook niet. ‘Volgens mij zijn ze daar begonnen met een klein zaakje met wat broeken, handdoeken en aanverwante artikelen.’

Speelterrein

Als de vader van Ingmar in de jaren zestig het bedrijf overneemt en het toerisme opkomt, komt de winkel tot grote bloei. Met bijna elk jaar een stukje uitbreiding, tot de zaak die het nu is. Het waren aanvankelijk twee losse panden met heren- en damesmode. Uit zijn jeugd herinnert Ingmar zich dat ze ook kinderkleding hadden. ‘Dan moest ik nieuwe kleding aan voor een foto in de krant. Ik weet nog dat ik daar niet blij mee was. De winkel was wel mijn speelterrein. Tussen de middag waren we dicht en deed ik er verstoppertje met neefjes en nichtjes. Mijn ouders maakten lange dagen. Ik weet eigenlijk niet beter. Ik liep er altijd wel netjes bij, maar was geen wandelende reclame voor wat ze te koop hadden. Het was een andere tijd. Er waren wel populaire merken, maar dat je niet meetelde als je niet dat speciale merk aan had, speelde toen nog niet.’

Griekenland

Het was niet vanzelfsprekend dat Ingmar in de zaak zou gaan. Hij had het erg naar zijn zin in Griekenland, waar hij onderhoud deed aan zeilboten. ‘Mijn vader ging daar vaak op vakantie en had er later ook een boot. Hij vroeg de Nederlandse eigenaar van de jachtwerf of de man geen baantje had voor zijn zoon.’ Toch kwam Ingmar terug, om naar de textielschool te gaan. Maar dat beviel helemaal niet. ‘Ik heb niet zoveel met mensen die me vertellen wat ik moet doen.’ Dus vertrok hij weer naar Griekenland, om pas terug te keren voor militaire dienst. Ook dat bleek niks voor hem. ‘Maar de baantjes in Griekenland waren al vergeven. Dus dan maar thuis aan de slag. Dat het bloed toch kruipt waar het niet gaan kan, is inmiddels wel bewezen. Anders houd je het geen dertig jaar vol. En met veel plezier. Dat had ik vooraf niet gedacht. De praktijk bevalt mij beter dan boeken. Ik heb mijn diploma’s later trouwens wel allemaal gehaald hoor.’

De vader van Ingmar deed de herenmode, zijn stiefzus Rina Hamer-Sok nam met haar echtgenoot het damesgedeelte voor haar rekening. Vader Moerbeek liet het werk geleidelijk steeds meer over aan Ingmar. In 2011 nam hij de dameszaak over. ‘Ging het muurtje er weer uit’, lacht hij. ‘Nu is het weer wat het ooit was, één grote zaak.’

Behoudende kleuren

De modewereld is aan veranderingen onderhevig. Hoe het in zijn beginjaren was, kun je niet meer vergelijken met nu, vertelt Ingmar. ‘Vroeger verkocht je terlenka en wollen broeken, daar had je dan zes kleuren in en drie modellen. Dat is allemaal niet meer. Mensen kleden zich anders, er is een breder en veel leuker aanbod. Wat ik aantrek, kan ook iemand van zeventig dragen. Of dat het lastiger maakt? Och, ik weet goed wat mijn klant wil. Als je met zo’n zaak in de stad zit, specialiseer je je. Ik heb een breder aanbod, echt afgestemd op wat de mensen die hier komen willen hebben. Ik heb veel vaste klanten, Texelaars en toeristen. Die zijn blij met hoe ze hier worden geholpen. Want dat is waarin we ons vooral onderscheiden. Vakmanschap en gastvrijheid. Een broek is een broek, maar er zijn zoveel verschillende pasvormen. Als iemand binnenkomt, zie ik meteen wat voor maat ik moet pakken.’ Hij somt een aantal speciale maten op, die met lengte en breedte te maken hebben. ‘Als mensen het in een winkel zelf moeten uitzoeken, pakken ze misschien wel de juiste lengte, maar is het net niet het goede model. Wat de smaak is van de Texelse man? Dat kan ik niet zo zeggen, dat loopt erg uiteen. Ik zie wel een duidelijk verschil tussen Noord- en Zuid-Nederland. Ik werd ooit eens uitgenodigd bij Ajax en deed uit voorzorg een mooi pak aan. Liepen ze daar allemaal in een spijkerbroek. Ach, je kan nooit overdressed zijn, vind ik. Later werd ik eens gevraagd bij PSV. Dus ik in spijkerbroek natuurlijk. Liepen ze daar allemaal in driedelig pak… Mijn eigen smaak? Ik vind kostuums prachtig, maar ik loop in wat ik goed kan verkopen.’

Familiestokje

De opkomst van internetwinkels doet veel traditionele modewinkels de das om, maar lijkt Modehuis Moerbeek niet erg te deren. Ingmar: ‘Internetwinkels hebben geen goed verdienmodel door al dat gratis heen en weer sturen. Je kan niet passen, hè. En de klanten komen bij mij omdat ze het fijn vinden dat ze worden geholpen. Daar zit echt toekomst in. Wat minder leuk is? Alle regeltjes eromheen, bijvoorbeeld op gebied van brandveiligheid en andere vergunningen. Dat is wel doorgeschoten.’

De dochter van zijn zus lijkt het familiestokje te willen overnemen. ‘Ik zou het leuk vinden, maar ik oefen beslist geen druk uit. Ik doe wel mijn best om mijn kennis over te dragen. Want Moerbeek moet altijd synoniem blijven voor service.’

1601287020732-00e39c2b-b17e-4d4e-a29d-fd9f693f4625
1601287047706-a68d1797-7d84-45dc-b2d2-4af690db10b0
1601287075906-146154df-2244-48ff-b946-3b64277d978e
1601287102690-f4060289-a662-41bf-8e9f-ff9358b8aa4a
1601287132981-b45c4ec6-5262-497f-bab2-70eae1b774e3
1601287172440-33255e62-23f5-44f1-a39e-dddcbb9f1497
1601287193608-36d4dc59-5aa2-4a8e-b95a-c7ed8f29467d
1601287229822-0620c292-ae77-4a85-8981-826c586c536c
1601287254624-418a0a94-3856-434b-808e-77b8472c0e48
1601287281556-b792306d-fc68-4ce9-9719-236b589ed708
Moerbeek 5

Vijfde generatie vissers familie Krijnen

‘Een mooi schip vis naar de veiling brengen’


De Texelse visserij maakte grote veranderingen door. Waar ooit kleine zeilbotters het ruime sop kozen, zijn het nu imposante kotters met flink vermogen die naar zee gaan. Het romantiseerde beeld van de visserij heeft definitief plaatsgemaakt voor een bedrijfstak waarin computers en regelgeving de norm zijn. Wat bleef zijn de verhalen. De rijke geschiedenis van de vissersfamilie Krijnen zit er vol mee.

 

Maar liefst vijf generaties Krijnen waren en zijn werkzaam in de visserij. Het beroep ging over van vader op zoon. Al op jonge leeftijd gingen de zonen met hun vader mee naar zee. ‘Op mijn vijftiende ging ik varen. Opa zei: Hou vol. De zin komt vanzelf’, herinnert Fulps Krijnen (1941) zich. Samen met broer Jaap (1948), zoon Dirk-Frido (1971) en neef Jacob (1984; zoon van Jaap), vertelt de ‘pater familias’ over de familiegeschiedenis. Het viertal is gezamenlijk eigenaar van het visserijbedrijf TX19. In het huidige continu-vissen wisselen Jacob en Dirk-Frido elkaar wekelijks af op de kotter, ieder met een ‘eigen’ vaarploeg. Jaap en Fulps, beiden al jaren met pensioen, zorgen aan de wal voor het onderhoud van de materialen.

Garnalen

In 1861gaat Fulps overgrootvader Dirk Krijnen voor het eerst naar zee, aan boord van de zeilbotter van zijn schoonvader Kuyper. Op zijn drieëntwintigste begint hij voor zichzelf op een botter van ruim zestien meter. Zoon Fulps gaat in 1891 op elfjarige leeftijd van school en met zijn vader mee naar zee. ‘Ze voeren met z’n tweeën. De knecht ging van boord en mijn opa nam zijn plaats in. Dat zorgde er wel voor dat hij op jonge leeftijd fysiek al een wrak was.’ In de voetsporen van zijn vader gaat Fulps in 1921 zelfstandig verder. Hij vist op oesters en mosselen, maar vooral op garnalen. Die worden veelal op bestelling gevangen en verpakt in manden op de trein gezet, naar de markt in Parijs. ‘Dan kwam er zondagmiddag een telegram met de opbrengst. Frans spraken ze niet, maar rekenen konden ze wél. De Franse francs werden omgerekend in centen.’ De Oudeschilder vloot telt in die tijd honderdtachtig nummers. Maar liefst honderdtwintig schepen vissen op garnalen.


Kotter wordt mijnenveger

Door de decennia heen laat de familie Krijnen regelmatig een nieuwe kotter bouwen. De eerste ijzeren botter wordt gebouwd in 1929. Achttien en een halve meter lang en een krachtige Kromhout-motor van 80 pk, destijds een flink vermogen. De garnalenvisserij floreert. Er wordt te veel gevangen om in de vier kookketels aan boord te verwerken. In 1936 wordt de TX19 Dirk opgeleverd, waarmee Fulps en zoon Dirk, die vanaf 1925 ook aan boord werkt, op tong en schol vissen in de Noordzee. De crisis van de jaren dertig komen de vissers goed door. Maar dan breekt de Tweede Wereldoorlog uit. Tot 1941 mogen de vissers onder Duits toezicht nog vanuit Scheveningen varen. Maar dan wordt de kotter ingevorderd en zijn de Krijnens alles kwijt. Fulps: ‘Opa en vader hadden het vistuig van boord gehaald, maar de kotter was spoorloos. Pas in 1945 kwam die met een konvooi terug uit Kiel. Ze herkenden hem eerst niet, want hij was omgebouwd tot mijnenveger. De voormast was afgezaagd en het visruim was slaapruim geworden.’ Zeventien weken zijn de Texelse vissers bezig met het herstel. ‘De kakkerlakken kropen uit alle hoeken en gaten. Het enige voordeel was dat de Duitsers er een nieuwe motor in hadden gezet, omdat ze op een mijn waren gevaren.’   


Vloeiend Zeeuws

De zonen van Dirk – Fulps, Jaap en Dirk – varen in de decennia daarna alle drie aan boord van de familiekotter. In 1953 krijgt het nieuwe schip de naam TX19 Drie Gebroeders. Tot 1982 is dat de naam van de opvolgende drie schepen. Vanaf 1982 heet de TX19 Elisabeth Christina, vernoemd naar de partners van Fulps en Jaap, vrouwen die hun mannetje staan aan de vaste wal en onmisbaar zijn voor het visserijbedrijf. In de jaren zestig vertrekken de Texelse vissers ’s winters naar Zeeland, om op haring te vissen. Jaap: ‘De hele Texelse vloot deed dat. In de weekends lagen we daar met ruim honderd kotters. Alle vangst ging naar een Duitse conservenfabriek.’ De nog jonge Jaap is zó ingeburgerd in Zeeland, dat hij zelfs Zeeuws spreekt. Als vader Dirk op zijn vijftigste met pensioen gaat, nemen zijn zoons het over. In 1978 stapt zoon Dirk uit de firma en gaan Fulps en Jaap samen door. Enige tijd heeft de familie zelfs twee kotters en is ook de TX20 in de vaart. Wanneer in de jaren tachtig het visquotum van de familie Krijnen, dat is gebaseerd op historische rechten, te klein is voor twee schepen, worden beide schepen verkocht en wordt het quotum op een nieuw schip gezet.


Pittige uitdagingen

Inmiddels is het aantal kotters flink uitgedund. ‘Op Texel zijn nog maar zeven grote kotters’, vertelt Jacob, zoon van Jaap. Hij wist al op jonge leeftijd dat hij naar zee wilde. ‘Op m’n tiende ging ik voor het eerst mee. Meteen vond ik het heel erg mooi, alhoewel ik de eerste dag alleen maar over m’n nek moest.’ De andere mannen aan tafel grinniken. Ook hun start op zee verliep zo. Neef Dirk-Frido ging op z’n zesde al eens mee. ‘Willem Gieles was mijn oppas aan boord. We voeren toen onder de Engelse kust met een dek vol haaien. Soms hadden we wel honderdvijftig haaien in één trek’, herinnert hij zich. Door de jaren heen kreeg de visserij te maken met toenemende regelgeving en beperkingen. De vijfde generatie wordt dan ook geconfronteerd met een aantal pittige uitdagingen, zoals het verbod op de pulsvisserij, het dichtgooien van visgronden, de komst van windmolenparken op zee en de Brexit. ‘Zo’n vijfenzeventig procent van onze vangst komt uit Engels gebied. Als dat wegvalt hebben we een groot probleem’, aldus Dirk-Frido.


Mooi bedrag onder de streep

Hun visplekken houden ze, naar goed gebruik, geheim. ‘Tuurlijk! Je probeert op alle mogelijke manieren te voorkomen dat anderen weten waar jij hebt gelegen als het lekker ging.’ Makkelijk is dat niet, want de vissers volgen elkaar op de voet. Ook online. Jaap: ‘Vroeger had je alleen Scheveningen Radio en belde je één keer per week naar huis. Nu appen ze de hele dag door en staat er van alles op Facebook dat zo te volgen is door iedereen.’ Ondanks de uitdagingen waarvoor ze staan, zijn Jacob en Dirk-Frido verknocht aan de visserij; een ander beroep kunnen ze zich niet voorstellen. ‘Het mooiste is als je eind van de week een mooi schip vis naar de veiling kunt brengen.’ Dirk-Frido vult lachend aan: ‘En dat er dan een mooi bedrag onder de streep staat.’

   

More Articles ...

  1. Familie Hoogenbosch boert goed in de horeca
  2. Familie Hin helemaal tevreden in het bos
  3. Henk en Margret Prins vormen een wereldteam
  4. Alle kinderen in het familiebedrijf
Page 4 of 7
  • Start
  • Prev
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • Next
  • End

Zilte-Zaken

TexelNU informatie

  • Algemene voorwaarden
  • Privacy
  • Retourneren
  • TexelNU sitemap
  • Algemene voorwaarden webshop
  • Bezorgen
  • Advertentietarieven TexelNU krant
  • Advertentietarieven KustNU krant
  • Advertentietarieven De Koog Info
 

copyright: Zilte Zaken / Privacyverklaring / Algemene voorwaarden

  • Volg ons op Facebook
  • We zitten op Instagram
  • Bekijk onze YouTube vlogs