In de serie BinnensteBuiten neemt TexelNU een kijkje in bijzondere huizen. Wie zijn de bewoners? Wat zijn de verhalen achter voorwerpen en details? Kunstenaar Gerd Jan Roos (60) woont met zijn vrouw Saskia Engelhard  (gepensioneerd ambulanceverpleegkundige, 61) in een monumentaal pand in Oudeschild. De voormalige stolpboerderij met galerie dateert uit 1836.

Bij strandpaviljoen Paal 9 noemen ze het de 4 G’s. Het rundvlees op de kaart is van dieren die op Texel zijn geboren, er hebben gegraasd, er zijn geslacht en er uiteindelijk worden  gegeten. ‘Het is veel goedkoper om vlees uit Zuid-Amerika te bestellen. Maar ik wil het écht doen. Alles in eigen hand: van de geboorte tot het bord’, vertelt eigenaar René Jager.


Er is een nieuw Texels biermerk: TX Bier. Er zijn al drie varianten, alle drie speciaalbieren: Goudwit, Hopblond en Donkerblond. Het bier is in de Texelse horeca al een tijdje verkrijgbaar van de tap, nu zijn er ook blikjes voor thuis of op het strand. We praten met Kees Groenewoud, samen met zijn zakelijk partner Jaco Spek producent van het nieuwe bier. 


Voor watersportliefhebbers is Texel het walhalla. Golfsurfen gebeurt voornamelijk aan het strand van De Koog en kitesurfers hebben diverse hotspots langs zowel de Noordzeekant als de Waddenkust. Bij Oudeschild kun je met een vlakke zee waterskiën en catamaranzeilers kunnen een prachtig rondje om het eiland varen. Wil je zelf eens actief het water in of op? Lees onze tips!

Dirk Hilbers is bioloog en initiatiefnemer en schrijver van Crossbill Guides, de grootste serie natuurreisgidsen van Europa. Zijn doel: laten zien hoe mooi en bijzonder de natuur is en daarmee de bescherming ervan stimuleren. Na gidsen over onder meer IJsland, Lesbos, het zuiden van Portugal en de Veluwe is er nu een over de Wadden.

Lange tijd werkte hij in de financiële wereld, waarin het bezoeken van borrels een heel gebruikelijke manier is om je netwerk te vergroten. Best gezellig soms, maar als je er met de auto heen gaat, zit je na één glas bier of wijn qua alcoholische versnaperingen al aan je taks. ‘En dan nam je maar weer een cola. En nog één. En voordat je het wist, liep je met zo’n colabuik rond. Dat moest toch anders kunnen…’

Samen met zijn beste vriend en zakenpartner Mirko Schnitzler is oud-Texelaar Jilles Eissen de oprichter van het biermerk Braxzz. In de naam zit het woord Braxtor, Latijn voor brouwer. De eerste z staat voor zero compromise, de tweede voor zero alcohol. In april vorig jaar lanceerden ze hun eerste alcoholvrije speciaalbier: de 0.0 Porter. Ruim een jaar later produceren ze al vijf soorten en zijn nummer zes en zeven in de maak. Het bier wordt op het moment verkocht in vijftien landen, maar de verkoop gaat zo goed, dat dat getal volgende maand alweer achterhaald kan zijn. In Nederland zijn al vierhonderdvijftig verkooppunten. ‘En in België zijn we zelfs verkrijgbaar in een restaurant met twee Michelinsterren. Daar zijn we bijzonder trots op’, vertelt Jilles.

Het tij mee

Ze hebben het tij mee, geeft hij toe. ‘Alcoholvrij bier is in opkomst, maar behalve Radler en een paar soorten witbier was er niet veel. En zeker niet in het segment van de razend populaire craftbiertjes, zoals IPA’s en Stout.’ Maar ongetwijfeld heeft ook de smaak van het bier met het succes te maken. Jilles en Mirko gingen dan ook niet over één nacht ijs. Voordat ze de markt opgingen besteedden de vrienden eerst tien maanden aan onderzoek en ontwikkeling. Daarbij kregen ze veel sceptische reacties. ‘Dat kan helemaal niet wat jullie willen, werd steeds gezegd. Maar we hebben doorgezet.’

Jilles, een zoon van oud-huisarts Klaas Eissen, bracht zijn jeugd op Texel door. Hij is er al meer dan vijfentwintig jaar weg, maar komt nog steeds graag op het eiland. ‘Achteraf realiseer je je pas hoe mooi het er is. Toen was dat heel vanzelfsprekend.’ Hij denkt nog wel eens terug aan zijn eerste vakantiebaantjes in de horeca, toen hij pils en cola mixte voor gasten die met de auto waren maar toch graag een biertje dronken. Ondanks zijn jeugdige leeftijd gaf hij bij restaurant La Casserole in De Koog blijk van een nuchtere kijk op de bedrijfsvoering. ‘In de bediening stokte het steeds bij het inschenken van de drankjes. Iedereen stond op elkaar te wachten. Ik heb gezegd dat ik wel de vaste barman wilde zijn en dat vonden ze een goed idee. Daarna liep het als een trein.’

Liever ondernemer

Na het VWO in Den Burg studeerde Jilles bestuurskunde in Enschede en werkte hij voor een groot advocatenkantoor in Duitsland, bij KPMG en voor een adviesbureau gericht op het verbeteren van bedrijfsprocessen. Zijn langste tijd bracht hij door bij de Rabobank, waar hij diverse functies vervulde, onder meer in het internationale betalingsverkeer. Bij de plaatselijke bank in Barneveld-Voorthuizen was hij directeur bedrijven. ‘Een prachtige tijd’, blikt hij terug, maar na twaalfenhalf jaar realiseerde hij zich plotseling dat hij ‘aan de verkeerde kant van de tafel zat’ en liever zelf ondernemer wilde zijn.

Dat bleek ook te gelden voor zijn beste vriend Mirko, met wie hij in hun studententijd een adviesbureau had gehad dat bemiddelde tussen studenten en het MKB. Om te kijken of samenwerken zou bevallen, besloten ze nog even in loondienst te blijven, waarbij Jilles de rechterhand werd van Mirko, die een goede baan had in de voedingsindustrie. ‘Daar lag ook mijn interesse. Ik heb ook koken altijd leuk gevonden en zit al twintig jaar bij een kookclub.’

Bierfestival in Londen

Na twee jaar durfden ze de stap te zetten en ging het direct heel hard. ‘We hadden wel op wat publiciteit gehoopt, maar kregen direct aandacht in de pers in Amerika en Japan en een artikel in een trendrapport. Als eerste producent van een alcoholvrij bier waren we welkom op een gerenommeerd bierfestival in Londen. Daar werden we voortdurend gevolgd door een Japanse filmploeg. Een ander hoogtepunt was de reportage in het tv-programma Binnenste Buiten. Het was een gekkenhuis.’

Ze hebben het assortiment in het afgelopen jaar flink uitgebreid. ‘We begonnen met twee soorten: een Porter en een IPA. Toen we ontdekten dat veel Nederlanders onze IPA te bitter vonden en Engelsen juist niet bitter genoeg, besloten we twee versies te maken. Daarnaast hebben we nu een Tripel en een Cider. Het vaste assortiment is vijf bieren en nummer zes en zeven volgen dit jaar. Ook hebben we een bock als seizoensbier. En we proberen koppelingen te maken met andere voedingsmiddelen, zoals bier in bonbons.’

‘Dat kan helemaal niet wat jullie willen…’

 Texel

Jilles ziet de toekomst van hun bier zonnig in. ‘Over vijf jaar is één op de vijf verkochte bieren alcoholvrij. De markt gaat dus onstuimig groeien. Op Texel gaat het misschien nog wel harder, omdat veel Duitse toeristen thuis al aan een ruim aanbod gewend zijn.’ Lachend: ‘Als Braxzz hopen we dat er binnenkort een alcoholvrije Texelse Skuumkoppe beschikbaar komt. Consumenten verdienen een echte alcoholvrije keuze naar hun smaak.’

Uiteraard kun je Braxzz-bier ook op Texel drinken. Het is verkrijgbaar bij slijterij Smidt-Witte in Burg. Horecaondernemers kunnen het bestellen via Hanos.

Aan de wielerliefhebber hoeven we haar nauwelijks meer voor te stellen: Denise Betsema. Ze won de derde prijs bij het Europees kampioenschap, werd vierde bij het wereldkampioenschap en sprong op de wereldranglijst van de negenentachtigste naar de derde plaats. Daarmee is de 26-jarige Texelse, moeder van twee kinderen, veruit de meest besproken veldrijdster van het afgelopen half jaar.

‘Sorry, ik ben je helemaal vergeten’, roept ze uit als ze in wieleroutfit de deur van haar woning in Den Burg opendoet. Het is voorjaarsvakantie en omdat haar twee kinderen thuis zijn, had ze net de racefiets op de rollers gezet om een uurtje in de huiskamer te trainen. Met op het computerscherm de beelden van een wedstrijd in Leuven van vorig jaar. ‘Daar rijd ik zaterdag. Dan kan ik tijdens het trainen het parcours een beetje verkennen.’

Eerste boot

Dat Denise haar afspraak is vergeten, is haar snel vergeven. Sinds september heeft ze het bijzonder druk gehad. Maandenlang reed ze bijna ieder weekend twee wedstrijden, vierendertig in totaal. De meeste in België, maar ze startte ook in Frankrijk, Tsjechië, Slowakije en meerdere malen in Zwitserland. En natuurlijk deed ze aan het wereldkampioenschap in Denemarken mee. ‘Naar België is het een uur of vier rijden met de auto. We nemen op zaterdag vaak de eerste boot, van zes uur. De start is altijd rond half twee. Mijn vader en mijn vriend rijden om beurten.’ Relativerend: ‘Ik zit ernaast en slaap vaak nog even door. Voor mij is het niet zo vermoeiend. Bovendien begint het al aardig te wennen. En op zondagavond ben ik lekker weer thuis.’

Denise peinst er niet over te verhuizen. ‘Ik woon heerlijk op Texel. Je kunt hier super lekker trainen. Bos, strand, duinen, je hebt alles. Ze vragen wel eens of het eiland niet te klein is om duurtrainingen te doen. Maar ik heb laatst vier uur op de fiets gezeten en daarbij niet één weggetje twee keer gereden. Voor de kinderen wil ik ook absoluut niet weg. En in de zomer zitten we lekker bij ons strandhuisje. Bovendien is het wel fijn om in twee werelden te leven. Ik was laatst met mijn trainer uit eten in België. Het hele restaurant was in de ban: Denise Betsema is binnen! Dan denk ik: doe normaal… Gelukkig zijn ze op Texel lekker nuchter.’

Moeder

Ondanks haar jeugdige leeftijd heeft Denise al een heel sportleven achter de rug. Op haar twaalfde werd ze Nederlands kampioen op de mountainbike, om vervolgens zo’n beetje alles te winnen wat er te winnen viel. Aan haar stormachtige carrière leek een vroegtijdig einde te komen toen ze op haar achttiende moeder werd van zoon Jukka en twee jaar later van dochter Wolf. Ze maakte daarna nog wel eens een rondje op de racefiets of mountainbike, maar serieus trainen deed ze niet meer.

Totdat het drie jaar geleden begon te kriebelen en ze bij haar rentree in een regionale wedstrijd direct won. Een half jaar later schreef Denise ook het nationaal klassement op haar naam – en een jaar later ook dat van de Benelux – en was wel duidelijk dat het talent nog niet weg was. Inmiddels is ze actief in wat internationaal de cyclocross heet en in Nederland vooral bekend staat als veldrijden. Vooral uit praktische overwegingen, niet omdat ze in die sport per se beter is. ‘Om met de internationale mountainbiketop mee te doen, zou ik veel meer in de bergen moeten trainen. Bovendien moet ik dan voor wedstrijden de hele wereld over. Veldrijden is meestal in België. Dat is een stuk beter te doen.’

Het besluit om zich in het veldrijden te specialiseren, nam ze nog geen jaar geleden. In september stond ze negenentachtigste op de wereldranglijst, niet hoog genoeg voor een startbewijs in de prestigieuze wereldbeker. Noodgedwongen schreef ze zich in voor wedstrijden met wat minder aanzien. Steevast eindigde ze bij de beste, geregeld won ze ook. Dat leverde haar zo veel punten op, dat ze al vóór de eerste wereldbekerwedstrijd in Europa, half oktober in Bern, in de top vijftig stond.

Kansen

Toch mochten haar kansen daar niet te hoog worden aangeslagen. ‘Hoe hoger op de wereldranglijst, hoe meer vooraan je mag staan bij de start. In Bern startte ik vanaf de derde rij. Op elke rij staan negen renners, dus ik had er achttien voor me en nog eens acht naast me.’ Inhalen op de vaak smalle en slingerende paadjes is moeilijk. ‘Maar al in de eerste ronde reed ik naar de vierde plek. Jammer genoeg ging daarna een wiel stuk, ver van de materiaalpost, waardoor ik terugzakte naar de vijfentwintigste plek. Uiteindelijk werd ik toch nog dertiende.’

De week erop won Denise een sterk bezette wedstrijd in België en nóg een week later veroverde ze bij de Europese kampioenschappen in eigen land tot ieders verrassing de derde prijs. Vanaf dat moment was haar naam gevestigd en bood de Belgische ploeg Marlux-Bingoal haar een contract aan. ‘Ik werd semiprof. Dat betekent dat ik deeltijd in loondienst was. Ik was het seizoen nog begonnen met Texelse sponsors: Gastropaviljoen XV en AB Texel. De kleding had ik zelf laten bedrukken met de sponsornamen. Verder was ik gewoon amateur.’

Zegekoningin

Haar ster rees, steeds sneller. Ze won de ene na de andere wedstrijd, reden voor de ploegleiding haar fulltime in dienst te nemen. Stond de teller bij ons interview nog op dertien overwinningen, in het slotweekend van het seizoen won Denise nóg twee keer, waarmee ze internationaal de renster met de meeste eerste plaatsen werd. Wielerjournalisten schreven over ‘dé ontdekking van het seizoen’, Vlaamse liefhebbers noemden haar liefkozend ‘de zegekoningin’.

Tekenend was dat ze na haar vierde plaats in het Nederlands kampioenschap teleurgesteld sprak van ‘een offday’. En zelfs met haar vierde plaats in het wereldkampioenschap in Denemarken, waar ze werd aangemoedigd door een flink gezelschap meegereisde Texelaars, was Denise maar matig tevreden. ‘In de loop van het seizoen heb ik mijn doelen steeds bijgesteld. In het begin hoopte ik alleen maar de top vijftig te kunnen halen. Daarna wilde ik een keer op het podium staan. En nu wil ik gewoon altijd de beste zijn.’ Lachend: ‘Maar ik ben ook heel hard aan het genieten dat het zo goed gaat, hoor. Je weet nooit hoe lang het duurt.’

Naam: Cornelis (Kees) de Jager

Geboren: Texel, 29 april 1921

Nevenfuncties: o.a. president COSPAR (internationale organisatie ruimteonderzoek), secretaris-generaal Internationale Astronomische Unie en president van de Internationale Raad van Wetenschappelijke Unies (ICSU), een organisatie met vertegenwoordigers van wetenschapsacademies en soortgelijke organisaties van 63 landen.

Onderscheidingen: Yuri Gagarin-medaille (Sovjet-Unie), Hale-medaille (Verenigde Staten), Gouden medaille van de Royal Astronomical Society (Engeland), Prix Jules Janssen (Frankrijk), Kar Schwarzschild (Duitsland). Eredoctoraten in Parijs en Wroclaw (Polen). Ereburger van Khania (Griekenland) en Texel. Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. In 1968 werd in Dordrecht een straat naar hem vernoemd en in 1994 een planetoïde. Bij Ecomare staat de Texelse volkssterrenwacht De Jager.

Sterrenkundige maakte naam als onderzoeker en bruggenbouwer

Een van de beroemdste sterrenkundigen van zijn tijd is Kees de Jager. Hij deed baanbrekend onderzoek naar de zon, zat in het bestuur van tal van internationale organisaties en kreeg het midden in de Koude Oorlog voor elkaar de Russen en Amerikanen tot samenwerking te brengen. Hoewel hij al meer dan dertig jaar geleden met emeritaat ging, is hij op zijn 98ste nog lang niet uitgewerkt.

Hij loopt wat moeilijk, zie ik, als hij me voorgaat in zijn appartement in het voormalige katholieke rusthuis Sint Jan in Den Burg. Het gevolg van een val van de trap, waarbij hij een paar ribben brak, ruim een half jaar geleden. Maar hij werkt hard aan zijn herstel. ‘Ik sport twee keer in de week. Eerst twintig minuten fietsen, dan op de loopband en daarna ga ik met gewichten in de weer en doe ik balansoefeningen. Na afloop ben ik flink moe. Vorige week heb ik voor het eerst in veertig jaar gezwommen. Wel even wennen, maar ik merk dat het helpt. Ik voel me een stuk beter.’

Hardlopen lukt niet meer en dat vindt hij jammer. Hij liep meerdere marathons, de laatste keer in New York toen hij zesenzeventig was. Op zijn negentigste voltooide hij nog de loop over 10 kilometer van de Texel Halve Marathon. Maar verder gaat het goed, vertelt hij. ‘Ik heb net nog een paar uur gewerkt aan een nieuw boek over de relatie tussen de zon en het klimaat. Dat schrijf ik op verzoek van uitgeverij Globe. Ik mocht zelf mijn coauteurs uitzoeken: twee collega’s uit Utrecht en Argentinië.’

Op de vraag hoeveel tijd hij nog actief is op zijn vakgebied, aarzelt hij even. ‘Een uur of vier, vijf per dag.’ Met een glimlach: ‘Het hangt ook een beetje van de afleiding af.’ Drie jaar geleden overleed zijn vrouw Doetie, die hij al kende op de middelbare school. Ondanks het grote verdriet is hij nu weer zichtbaar gelukkig met zijn nieuwe vriendin Margriet.

Ondergedoken

De Jager heeft een roerig leven achter de rug. Hij vertelt er met smaak over. Over zijn studietijd, die samenviel met de Tweede Wereldoorlog. Samen met een studiegenoot zat hij ondergedoken in een achterafkamertje van de sterrenwacht in Utrecht. ’s Nachts bezochten ze de bibliotheek en maakten ze gebruik van telescopen. Bij betrouwbare hoogleraren deden ze van tijd tot tijd illegaal examen, zodat hij al kort na de bevrijding – cum laude – kon afstuderen.

In de jaren erna had hij diverse slecht betaalde functies – en zelfs een waarvoor hij helemaal geen salaris kreeg – als onderzoeker. Een tijd lang combineerde hij er zelfs twee en was hij van ’s ochtends vroeg tot twee uur ’s nachts in touw. In 1952 promoveerde hij bij de bekende professor Minnaert op een proefschrift over het waterstofspectrum van de zon en in 1960 werd hij hoogleraar. Midden in de Koude Oorlog, de concurrentiestrijd tussen het Westen en het Oosten was groot. Nadat de Sovjet-Unie in 1957 voor het eerst een raket in een baan om de aarde had gebracht, kwam ook aan deze kant van het IJzeren Gordijn veel geld beschikbaar voor ruimteonderzoek. De Jager kreeg van een Amerikaanse organisatie tachtigduizend gulden om in Utrecht een gespecialiseerd laboratorium op te zetten. Hij begon met drie medewerkers, tien jaar later telde de organisatie er ruim honderd.

Grote naam

De Jager werd een grote naam op zijn vakgebied. Als onderzoeker naar uitbarstingen van de zon en de manier waarop ze tot stand kwamen, maar ook als bruggenbouwer. Als voorzitter van de Committee on Space Research kreeg hij het zelfs voor elkaar een congres in Israël te organiseren waar ook onderzoekers uit de landen van het Warschaupact aanwezig waren, terwijl zij van hun autoriteiten helemaal niet in Israël mochten komen. Een kwestie van tact en veel diplomatie, waarbij hij als gebaar van goede wil het congres het jaar daarvoor in Bulgarije had laten plaatsvinden. Hij vertelt het met een mengeling van trots en bescheidenheid en zwaait veel lof toe aan de vrouw die de Sovjetdelegatie leidde en die het aandurfde om tegen de orders van haar superieuren in te gaan. ‘Onze landen waren rivalen, maar wetenschappers willen altijd samenwerken’, doet hij een andere poging zijn succes te verklaren.

De Jager werd geboren op Texel, in Den Burg. Van zijn vijfde tot zijn achttiende woonde hij in Nederlands-Indië, waar zijn vader schoolmeester was, en daarna ruim zestig jaar in Utrecht. Door zijn vele werk in het buitenland mag je hem best een wereldburger noemen. Toch voelt hij zich Texelaar. Dat komt vooral door het jaar waarin zijn vader groot verlof had en de familie De Jager tijdelijk naar Texel terugkeerde. Hij vertelt er nog met zo veel details over – over zijn grootouders in Den Hoorn, zijn vriendjes, de meierblis en het voetballen met schoolmeester Riteco – dat je bijna zou vergeten dat het ruim vijfentachtig jaar geleden heeft plaatsgevonden. ‘Het was een geweldige tijd, dat ene jaar in Den Hoorn’, vat hij kort en bondig samen.

Stoarrekieker

Op zijn tweeëntachtigste keerde De Jager definitief terug naar zijn geboorte-eiland. Met de nodige aarzelingen, want na een leven van hard werken en veel reizen was hij een beetje bang zich op Texel te vervelen. ‘Maar ik woonde er net weer een paar dagen, toen ik een rondje door Den Burg maakte. Een man was in zijn tuin aan het werk. Hij spreekt me aan en zegt: komt deuze stoarrekieker op Texel weune?’ Ik voelde me gelijk weer helemaal thuis.’

Er is geen paadje of duintje in De Geul en de Bollekamer dat Benno Bakker niet kent. Al vijfentwintig jaar wandelt of fietst hij er een paar keer per week om te kijken of alles goed gaat met de Schotse Hooglanders en Exmoor-pony’s die er grazen.

Benno heeft een speciale band met ‘zijn’ dieren. Vol liefde vertelt hij over ze. Over de inmiddels overleden koe die een soort crèche beheerde, bijvoorbeeld. ‘Zij hield het toezicht op de kalveren, zodat de andere moeders rustig konden grazen. Als je te dichtbij kwam, dan ging ze voor je staan en gingen die enorme horens naar beneden. Afstand houden!’ Lachend: ‘Die koeien zijn heel duidelijk in hun communicatie. Ze zijn heel rustig, maar je moet ze niet lastigvallen. Het blijven toch wilde dieren.’

Een andere keer werd hij gebeld door wandelaars met een alarmerend bericht over een creperend ponyveulen. ‘Het lag te rochelen en had het schuim op de bek. Ik zat in een vergadering, maar ben er gelijk heengereden. Toen ik aankwam, met mijn stropdas nog om, zag ik het al. Het jong had zoveel bij zijn moeder gedronken, dat hij snurkend in slaap was gevallen, de melkresten nog rond zijn bek. Ik klap in mijn handen, hij schiet overeind en ik zeg tegen die mensen: er zit toch nog aardig wat leven in.’

Veekoopman

De 65-jarige Benno is zoon van een Texelse veekoopman, die jonge rammen en koeien opkocht die te oud werden om te melken. Ze werden naar grazige weiden gebracht en eenmaal dik genoeg verkocht voor de slacht. ‘Mijn vader had TBC gehad. Hij was een slimme zakenman, maar niet sterk. Mijn broer en ik deden het fysieke werk. Voeren en de stal schoonmaken voordat ik ’s ochtends naar school ging.’

Na een studie aan de hogere landbouwschool stortte Benno zich in 1979 samen met Marc van Rijsselberghe (inderdaad: de vader van windsurfkampioen Dorian!) en hun echtgenotes in een nieuw avontuur. Op de boerderij Sint Donatus bij Den Hoorn ontdeden ze de biologisch-dynamische landbouw van het imago van geitenwollen sokken. ‘Wij streefden naar kwaliteit. Het was pionieren. We waren de eersten met een agrarisch bedrijf in combinatie met een zorgboerderij, camping en winkel. We zijn maatschappelijk ondernemer van het jaar van Noord-Holland geweest. Ik heb het drieëntwintig jaar gedaan. Prachtig werk. Daarna was het tijd voor iets anders.’

De afgelopen zeventien jaar bewees Benno ook in de zakelijke wereld uit de voeten te kunnen. Hij werkte bij twee accountantskantoren op het eiland, bij softwareontwikkelaar SnelStart en maakte als adviseur van de Waddengroep promotie voor Texels lamsvlees. Tegenwoordig werkt hij samen met het bedrijf InnofundNL aan innovatieve projecten op het gebied van duurzame energie. Leuk en interessant werk, maar vaak zit hij uren per dag in de auto. Eenmaal thuis is het goed te weten dat zijn dieren op hem wachtten. ‘Eerst de autostoel uit mijn rug en de onrust uit mijn lijf krijgen. Dat lukt heel goed door een rondje te lopen of te fietsen en op een duintop stil te staan en om je heen te kijken.’

Groene sprieten vreten

Samen met collega Piet Monster houdt Benno het toezicht over in totaal zo’n veertig Schotse Hooglanders en twintig Exmoor-pony’s. Die grazen daar om de biodiversiteit te verhogen, zoals dat in termen van natuurbeheer heet. ‘Ze vreten bijvoorbeeld de groene sprieten tussen de heide weg, waardoor die meer ruimte krijgt. Dat werkt heel goed. Er wordt nog maar een enkele keer gemaaid.’

Staatsbosbeheer koos ooit voor deze dieren omdat ze weinig zorg nodig hebben. Ze zijn eigendom van Gradiënt Natuurbeheer, een Gronings bedrijf dat zich inzet voor ecologisch en duurzaam onderhoud. De runderen en pony’s scharrelen zelf hun eten en drinken bij elkaar en hebben ook bij een bevalling geen hulp van een boer of veearts nodig. Benno begon zijn taak vijfentwintig jaar geleden namens Sint Donatus. ‘Het was best spannend voor een boer die zijn vee altijd om zich heen had. In de eerste strenge winter ging ik met een rugzak met een bijl erin op pad om een wak te hakken. Dat bleek niet nodig. Op veel plaatsen komt zoet kwelwater omhoog. Dat bevriest niet snel, waardoor er altijd drinkwater is.’

Ook bijvoeren is nooit nodig geweest. ‘In de zomer vreten ze zich vet, in de winter mogen ze maximaal twintig procent aan lichaamsgewicht verliezen. Dat gebeurt bijna nooit. Aan het eind van de zomer onderzoeken we hun gezondheid. Hebben ze een goede kans om de winter te overleven? Zo niet, dan halen we ze eruit en gaan ze terug naar het Groningse moederbedrijf of naar de slacht. Ze zijn heel slim. Ik heb ze met hun kop de sneeuw zien wegduwen om bij het gras eronder te kunnen. In het voorjaar lopen ze soms tot hun nek door het water om de groene toppen uit de lissen te happen. Ze zoeken de plantensoorten waarin de meeste voedingswaarde zit. Zowel de koeien als de paarden lopen een rondje door het hele gebied. Voor mij is steeds weer de vraag waar ze grazen. Ondertussen kan ik het aardig voorspellen.’

Tien hectare per dier

Een vergelijking met de soms hongerlijdende dieren bij de Oostvaardersplassen gaat volgens Benno mank. ‘Onze koeien en paarden hebben veel meer ruimte: gemiddeld tien hectare per dier. Dit is een supergebied. En ze hebben een dikke vacht. Niemand hoeft medelijden met ze te hebben.’

Dat geldt ook voor Benno zelf. Staatsbosbeheer vindt het voldoende als hij eens per week een rondje maakt. ‘Maar ik ga zeker twee keer per week en soms nog vaker. Het liefst ’s ochtends vroeg of ’s avonds. Dan kom je helemaal niemand tegen. Gisteren heb ik nog een hele tijd staan kijken naar twee buizerds die met een kraai aan het knokken waren. Dat is echt genieten.’

TexelNU
kranten online

Najaar 2020

Najaar 2020

Zomer 2020

Zomer 2020

Winter 2019

Winter 2019

Winter 2018

Winter 2018

Zomer 2018

Zomer 2018

Voorjaar 2018

Voorjaar 2018

Winter 2017

Winter 2017

Zomer 2017

Zomer 2017

Voorjaar 2017

Voorjaar 2017

Winter 2016

Winter 2016

Zomer 2016

Zomer 2016

Voorjaar 2016

Voorjaar 2016

Winter 2015

Winter 2015

Zomer 2015

Zomer 2015

Voorjaar 2015

Voorjaar 2015

Winter 2014

Winter 2014